WAT SCHEIDT TEGENWOORDIG ZO VEEL MENSEN VAN HET LICHT?

A]{.Initial}ls een donkere nacht ligt het fijnstoffelijke duister over deze aarde! Heel lang reeds. Het houdt de aarde in een verstikkende omklemming, zo dicht en stevig, dat iedere opkomende lichtgedachte op een vlam lijkt die zonder zuurstof zijn kracht verliest en al spoedig wegkwijnend in elkaar zinkt.

Vreselijk is deze fijnstoffelijke toestand, die momenteel op zijn allerergst tot uitwerking komt. Wie ooit slechts vijf seconden dit gebeuren zou mogen aanschouwen, zou van ontzetting alle hoop op redding verliezen! –

En dat alles is door de schuld van de mensen zelf teweeggebracht. Als gevolg van de neiging tot het lage. De grootste vijand voor de mensheid is deze daarbij zelf geweest. Nu lopen zelfs nog de weinigen die weer ernstig naar omhoog streven gevaar, dat zij mee omlaag getrokken worden in de diepte, waar anderen nu met angstwekkende snelheid naar toe groeien.

Het is als een omklemming, waarop onafwendbaar dodelijk opgezogen worden volgt. Opgezogen worden in het zwoele, taaie moeras, waarin geluidloos alles ondergaat. Het is geen worstelen meer, maar alleen nog een stil, geluidloos, onheilspellend wurgen.

En de mens beseft het niet. Geestelijke traagheid maakt, dat hij blind is voor dit noodlottige gebeuren.

Het moeras echter zendt voortdurend zijn giftige uitstralingen uit, die hen die nog sterk en waakzaam zijn geleidelijk vermoeien, opdat ook zij inslapen en krachteloos mee wegzinken.

Zo ziet het er nu op deze aarde uit. Het is geen beeld dat ik daarmee ontrol, maar leven! Aangezien al het fijnstoffelijke vormen draagt die geschapen en tot leven gebracht worden door de innerlijke gevoelens van de mensen, speelt een dergelijk gebeuren zich werkelijk voortdurend af. En dat is de omgeving die de mensen wacht, wanneer zij deze aarde moeten verlaten en niet omhoog geleid kunnen worden naar de lichtere en mooiere gebieden.

Maar het duister pakt zich steeds meer samen.

Daarom nadert de tijd, dat deze aarde een tijdlang aan de heerschappij van het duister overgelaten moet blijven, zonder directe hulp uit het Licht, omdat de mensheid dit door haar willen afdwong. De gevolgen van het overgrote deel van het willen van de mensheid moesten dit einde brengen. – Het is de tijd die eens Johannes mocht aanschouwen, waarin God zijn aangezicht verhult. –

Nacht is het rondom. Maar in de hoogste nood, waarbij alles, ook het betere, mee dreigt te verzinken, daagt nu tegelijkertijd ook het morgenrood! Het morgenrood brengt echter eerst de weeën van een grote reiniging, die onvermijdelijk is, voordat de redding van alle ernstig zoekenden kan beginnen; want al diegenen die het lage nastreven, kan de helpende hand niet worden geboden! Zij moeten omlaagstorten tot in die huiveringwekkende diepten, waar zij alleen nog op ontwaken kunnen hopen door kwellingen, die hen tot afkeer van zichzelf moeten brengen.

Zij die tot dusver honend en ogenschijnlijk ongestraft de naar omhoog strevenden hindernissen in de weg konden leggen, zullen zwijgzaam worden en meer gaan nadenken, totdat zij ten slotte nog bedelend, jammerend om de Waarheid smeken.

Zo gemakkelijk zal het voor hen dan niet zijn, zij worden onophoudelijk door de molenstenen van de ijzeren wetten van de goddelijke Gerechtigheid geleid, totdat zij door het beleven tot het inzien van hun dwalingen komen. –

Op mijn reizen kon ik zien, dat er een brandende fakkel te midden van de trage mensengeesten vloog met mijn Woord, dat uitlegt dat geen mens iets goddelijks in zich heeft, terwijl juist nu vaak wordt getracht God in zichzelf te ontdekken, en daarmee uiteindelijk ook zelf tot God te worden!

Daarom is vaak onrust door mijn Woord ontstaan, de mensheid wil zich er opstandig tegen verzetten, omdat zij alleen maar sussende en geruststellende woorden wil horen die haar aangenaam voorkomen!

Zij die zich op deze manier verzetten, zijn slechts lafaards die zich het liefst voor zichzelf verstoppen, alleen maar om in het donker te blijven, waarin men zo prettig en rustig kan dromen, naar eigen wens.

Niet iedereen kan het verdragen, blootgesteld te worden aan het Licht van de Waarheid, dat duidelijk en zonder erbarmen de gebreken en de vlekken van het gewaad toont.

Door glimlachen, spot of door vijandigheid willen zulke mensen de naderende dag tegenhouden, die de lemen voeten van hun onhoudbare bouwsel van de afgod ‘ik’ duidelijk zichtbaar maakt. Dergelijke dwazen spelen slechts maskerade met zichzelf, waarop de grauwe Aswoensdag onverbiddelijk zal volgen. Zij willen zich met hun verkeerde opvattingen toch alleen maar zelf vergoddelijken, en daarbij voelen zij zich aards prettig, behaaglijk. Zij beschouwen bij voorbaat diegene als vijand, die hen in deze trage rust stoort!

Maar al het verzet helpt hen ditmaal niets!

De zelfvergoddelijking, die tot uiting komt in de bewering dat er iets goddelijks in de mens is, is een met vuile handen grijpen naar de verhevenheid en reinheid van uw God, dat voor u het heiligste, waarnaar u opziet in gelukzalig vertrouwen, daarmee onteert! –

In uw innerlijk staat een altaar, dat voor de verering van uw God moet dienen. Dit altaar is uw innerlijke aanvoelingsvermogen. Is dit rein, dan heeft het rechtstreeks verbinding met het geestelijke en daardoor met het Paradijs! Dan zijn er ogenblikken waarop ook u de nabijheid van uw God volledig met uw geest kunt aanvoelen, zoals dat bij de diepste smart en de grootste vreugde vaak voorkomt!

U voelt dan innerlijk zijn nabijheid op dezelfde wijze als de eeuwige oergeestelijken in het Paradijs deze voortdurend beleven, met wie u in zulke ogenblikken nauw verbonden bent. De sterke bewogenheid door het opwellen van grote vreugde alsook van diepe smart dringt al het lagere aardse secondenlang ver naar de achtergrond, en daardoor komt de reinheid van de innerlijke aanvoeling vrij, slaat daarmee dadelijk de brug naar dezelfde reinheid die het Paradijs doorstroomt!

Dat is het hoogste geluk van de mensengeest. De eeuwigen in het Paradijs leven daarin voortdurend. Het geeft de heerlijke zekerheid van het geborgen zijn. Zij zijn zich dan volledig bewust van de nabijheid van hun grote God, in wiens kracht zij staan, maar zien daarbij ook als vanzelfsprekend in, dat zij zich op hun grootste hoogte bevinden en nooit in staat zullen zijn, God te aanschouwen.

Dat bezwaart hen echter niet, maar het besef van zijn niet te benaderen grootheid roept juichende dank op voor zijn onuitsprekelijke genade, die Hij tegenover de aanmatigende schepselen steeds liet heersen.

En dit geluk kan de mens op aarde al genieten. Het is volkomen juist, wanneer gezegd wordt, dat de aardemens in gewijde ogenblikken de nabijheid van zijn God bespeurt. Maar tot ernstige misdaad wordt het, wanneer men op grond van deze prachtige brug van het zich bewust worden van de goddelijke nabijheid wil beweren, zelf een vonk godheid in zich te hebben.

Hand in hand met deze bewering gaat ook het omlaaghalen van de goddelijke Liefde. Hoe kan men Godsliefde met maatstaven voor mensenliefde meten? Sterker nog, haar in waarde zelfs nog lager stellen dan deze mensenliefde? Kijk eens naar de mensen die zich goddelijke Liefde als het hoogste ideaal alleen maar stil duldend en bovendien alles vergevend voorstellen! Zij willen het goddelijke daarin zien, dat het zich van veel lager staande schepselen alle onbeschaamdheden laat welgevallen, zoals alleen de grootste zwakkeling doet, alsook de grootste lafaard, die men om deze reden veracht. Bedenk toch welk een ongehoorde smaad daarmee is verbonden!

De mensen willen ongestraft zondigen, om dan ten slotte nog hun God er mee te verblijden, wanneer zij zich door hem, zonder zelf hun fouten goed te maken, hun schuld laten vergeven! Zoiets kan men alleen aannemen op grond van mateloze beperktheid, onvergeeflijke luiheid of het besef van hopeloze eigen zwakte ten aanzien van het goede willen om omhoog te streven. Het één is echter net zo verwerpelijk als het ander.

Stelt u zich goddelijke Liefde voor! Kristalhelder, stralend, rein en groot! Kunt u zich daarbij indenken, dat zij zó zoetelijk-slap, onwaardig toegeeflijk kan zijn, als de mensen zo graag zouden willen? Zij willen verkeerde grootheid opbouwen, daar waar zij zwakheid wensen, geven een verkeerd beeld, alleen maar om zichzelf daarbij nog iets voor te spiegelen, zich gerust te stellen over hun eigen gebrekkigheid, die maakt dat zij bereidwillig in dienst van het duister staan.

Waar is daarbij de frisheid en de kracht, die onvoorwaardelijk bij de kristalheldere reinheid van de goddelijke Liefde behoort? Goddelijke Liefde is niet te scheiden van de grootste strengheid van goddelijke Gerechtigheid. Zij is zelfs de Gerechtigheid zelf. Gerechtigheid is Liefde, en Liefde wederom is alleen gelegen in de Gerechtigheid. Daarin alleen ligt ook de goddelijke vergeving.

Het is juist, wanneer de kerken zeggen, dat God alles vergeeft! En werkelijk vergeeft! In tegenstelling tot de mens, die zelfs nog degene die een of andere kleine schuld heeft goedgemaakt, voor altijd als onwaardig beschouwt en zichzelf door dergelijke gedachten met dubbele schuld belast, omdat hij daarin niet volgens de Wil van God handelt. Hier ontbreekt aan de menselijke liefde de gerechtigheid.

De uitwerking van de goddelijke scheppingswil reinigt iedere mensengeest van zijn schuld, door eigen beleven of door zich vrijwillig te beteren, zodra hij naar omhoog streeft.

Komt hij uit deze molens in het stoffelijke terug naar het geestelijke, dan staat hij rein in het rijk van zijn Schepper, ongeacht wat hij ooit fout heeft gedaan! Net zo rein als iemand die nog nooit een fout beging. Maar eerst gaat zijn weg door de uitwerking van de goddelijke wetten, en in dat feit ligt de waarborg van de goddelijke vergeving, van zijn genade!

Hoort men tegenwoordig niet vaak de verbijsterde vraag: hoe kon de ellende van deze jaren gebeuren met Gods Wil? Waar blijft daarbij de liefde, waar gerechtigheid? De mensheid vraagt het, de naties vragen het, vaak de gezinnen en de enkeling! Zou dit voor hem niet eerder het bewijs moeten zijn, dat de Godsliefde toch wel anders is, dan menigeen zich deze graag zou willen voorstellen? Probeer toch eens de alles vergevende Godsliefde zo tot het einde toe te doordenken, als men zich deze krampachtig probeert voor te stellen! Zonder eigen boetedoening, alles duldend en ten slotte nog grootmoedig vergevend. Het moet een jammerlijk resultaat opleveren! Dunkt de mens zich zo waardevol, dat zijn God daaronder moet lijden? Nog waardevoller dus dan God? Wat houdt deze aanmatiging van de mensen niet allemaal in? –

Bij rustig nadenken moet u over duizend hindernissen struikelen en kunt alleen dan tot een slotsom komen, wanneer u God verkleint, Hem onvolkomen maakt.

Hij echter was en is en blijft volmaakt, om het even hoe de mensen daarover denken.

Zijn vergeving ligt in de Gerechtigheid. In niets anders. En in deze onwrikbare Gerechtigheid ligt ook alleen de grote, tot dusver zo miskende Liefde!

Wen u af daarbij aardse maatstaven aan te leggen. Gods Gerechtigheid en Gods Liefde gelden de mensengeest. Het stoffelijke speelt daarbij in het geheel geen rol. Dat is immers alleen door de mensengeest zelf gevormd, en zonder geest heeft het geen leven.

Wat kwelt u zich toch zo vaak met zuiver aardse kleinigheden, die u als schuld voelt en die dat helemaal niet zijn.

Alleen datgene wat de geest bij een handeling wil, is doorslaggevend voor de goddelijke wetten in de schepping. Deze geestelijke wil is echter niet activiteit van de gedachten, maar het diepste innerlijke aanvoelen, het eigenlijke willen in de mens, dat als enige de wetten van het generzijdse in beweging kan zetten en ook automatisch in beweging zet.

Goddelijke Liefde laat zich door de mensen niet omlaaghalen, want daarin rusten in de schepping ook de ijzeren wetten van zijn Wil, die door de Liefde wordt gedragen. En deze wetten komen zo tot uitwerking als de mens zich daarin gedraagt. Zij kunnen voor hem een verbinding vormen tot in de nabijheid van zijn God, of zij vormen een scheidsmuur die nooit doorbroken kan worden, tenzij de mens zich eindelijk invoegt, wat hetzelfde betekent als gehoorzamen, het enige waardoor hij zijn heil kan vinden, zijn geluk.

Het is één geheel, het grote werk vertoont geen gebreken, geen hiaat. Iedere dwaas, iedere nar die anders wil, zal zich daarbij het hoofd te pletter lopen. –

Goddelijke Liefde bewerkstelligt daarin alleen dat, wat voor iedere mensengeest van nut is, niet wat hem op aarde blij maakt en aangenaam lijkt. Daar staat zij ver boven, omdat zij het gehele zijn beheerst. –

Zo menigeen denkt tegenwoordig heel vaak: wanneer rampspoed te verwachten is, vernietiging om een grote reiniging tot stand te brengen, dan moet God zo rechtvaardig zijn om tevoren boetepredikers uit te zenden. De mens moet toch tevoren gewaarschuwd worden. Waar is Johannes, die dat wat komen gaat verkondigt?

Het zijn onzaligen, met een leegheid van gedachten die voor grootheid moet doorgaan! Slechts aanmatiging, voortkomend uit de grootste holheid, gaat achter zulke uitspraken schuil. Zij zouden hem toch geselen, in de kerker werpen!

Open toch uw ogen en uw oren! Maar dansend gaat men aan alle ellende en angst van zijn medemensen lichtzinnig voorbij! Men wil niet zien en niet horen! –

Ook een boeteprediker werd vooruit gezonden, al tweeduizend jaar geleden, het mens-geworden Woord volgde hem op de voet. Maar de mensen hebben zich ijverig ingespannen om de reine glans van het Woord weer uit te wissen, te verduisteren, opdat de aantrekkingskracht van zijn straling langzamerhand zou uitdoven. –

En allen die het Woord willen vrijmaken uit de woekerplanten zullen spoedig merken, hoe afgezanten uit het duister zich krampachtig inspannen om ieder vreugdevol ontwaken te verhinderen!

Maar in de tegenwoordige tijd herhaalt zich niet weer wat in de tijd van Christus gebeurde! Toen kwam het Woord! De mensheid had haar vrije wil en besloot destijds in hoofdzaak het af te wijzen, te verwerpen! Vanaf dat ogenblik was zij onderworpen aan de wetten, die automatisch aansloten op het toen aldus genomen vrije besluit. De mensen vonden later op de zelf gekozen weg alle vruchten van hun eigen willen.

Weldra sluit zich nu de kringloop. Alles hoopt zich steeds meer op en wordt opgestuwd als een wal, die binnenkort ineenstort over de mensheid, die in geestelijke stompzinnigheid niets vermoedend zorgeloos voortleeft. Aan het einde, ten tijde van de vervulling, hebben zij natuurlijk geen vrije keus meer!

Zij moeten in deze tijd nu eenmaal oogsten, wat zij destijds en ook op hun latere dwaalwegen zaaiden.

Allen die ten tijde van Christus eens het Woord verwierpen, zijn tegenwoordig voor de afrekening weer op deze aarde geïncarneerd. Zij hebben nu geen recht meer op een voorafgaande waarschuwing om nogmaals te kunnen beslissen. In die tweeduizend jaren hadden zij tijd genoeg om tot andere gedachten te komen! Ook wie God en zijn schepping verkeerd uitgelegd in zich opneemt en zich niet inspant er een zuiverder begrip van te krijgen, die heeft het in het geheel niet opgenomen. Het is zelfs nog veel erger, omdat een verkeerd geloof ervan afhoudt, Waarheid te begrijpen.

Maar wee degene die Waarheid vervalst of verandert om daardoor toeloop te krijgen, omdat de mensen het in een gemakkelijker vorm ook aangenamer vinden. Hij laadt niet alleen de schuld op zich van vervalsing en misleiding, maar hij draagt ook nog alle verantwoordelijkheid voor hen, die hij met dit gemakkelijker of aannemelijker maken kon aantrekken. Hij wordt dan niet geholpen, wanneer voor hem het uur der vergelding komt. Hij stort omlaag in diepten die hem nooit weer terug kunnen geven, en met recht! – Ook dat mocht Johannes mede aanschouwen en in zijn Openbaring daarvoor waarschuwen.

En wanneer de grote reiniging begint, rest de mens ditmaal geen tijd meer zich te verzetten of zelfs ook maar aan het gebeuren weerstand te bieden. De goddelijke wetten, waarvan de mens zich zo graag een verkeerde voorstelling maakt, komen dan onverbiddelijk tot uitwerking.

Juist in de tijd van de grootste verschrikkingen die de aarde ooit beleefde, zal de mensheid eindelijk leren, dat Godsliefde hemelsbreed verschilt van de wekelijkheid en zwakheid die men waagde daaraan toe te dichten.

Meer dan de helft van alle mensen van tegenwoordig hoort helemaal niet op deze aarde thuis!

Al sinds duizenden jaren is deze mensheid zo diep gezonken, leeft zozeer in de duisternis, dat zij met haar onreine willen vele bruggen sloeg naar duistere sferen, die ver beneden het niveau van deze aarde liggen. Daar leven diep gezonkenen, van wie het fijnstoffelijk gewicht nooit de mogelijkheid toeliet, tot op het niveau van deze aarde omhoog te komen.

Daarin lag bescherming voor alle op de aarde levende mensen, evenals voor deze duistere zielen zelf. Zij zijn gescheiden door de natuurlijke wet van de fijnstoffelijke zwaarte. Daar beneden kunnen zij zich uitleven in hun hartstochten en al hun laagheden, zonder daarmee schade aan te richten. Integendeel. Hun ongeremd zich uitleven treft daar alleen de gelijkgeaarden, zoals omgekeerd het zich uitleven van deze ook hen treft. Zij lijden daardoor wederkerig, hetgeen tot rijper worden leidt, maar niet tot verdere schuld. Want door het lijden kan eens de afschuw opkomen van zichzelf en met de afschuw ook de wens om uit dit gebied weg te komen. Deze wens leidt mettertijd tot smartelijke vertwijfeling, waaruit ten slotte vurige gebeden kunnen voortkomen en daarmee de ernstige wil om zich te beteren.

Zo had het moeten gaan. Maar door het verkeerde willen van de mensen ging het anders!

De mensen sloegen door hun duistere willen een brug naar het gebied van het duister. Zij reikten daarmee de daar levenden de hand en maakten het hun door de aantrekkingskracht van het gelijkgeaarde mogelijk naar de aarde omhoog te komen. Hier vonden zij natuurlijk ook gelegenheid voor een nieuwe incarnering, die voor hen volgens het normale wereldgebeuren nog niet was voorzien.

Want op de aarde, waar zij door middel van het grofstoffelijke met de lichtere en betere zielen gezamenlijk kunnen leven, richten zij alleen maar schade aan en laden daarmee nieuwe schuld op zich. Dat kunnen zij in hun laag gelegen gebieden niet, want voor degenen die dezelfde geaardheid hebben als zijzelf is hun laagheid alleen maar van nut, omdat zij daarin ten slotte toch uiteindelijk slechts zichzelf leren kennen en er daardoor afschuw van krijgen, wat tot verbetering bijdraagt.

Deze normale weg van alle ontwikkeling heeft de mens nu verstoord door zijn vrije wil voor het lage te gebruiken, waarmee hij fijnstoffelijke bruggen vormde naar het gebied van het duister, zodat daarin gezonkenen als een horde op de aarde konden worden geworpen, die nu triomfantelijk het grootste deel daarvan bevolken.

Omdat lichte zielen voor het duister moeten wijken, daar waar het duister vaste voet heeft gekregen, was het voor de aldus ten onrechte op aards niveau gekomen duisterder zielen gemakkelijk om ook af en toe daar tot incarnatie te komen waar anders alleen een lichte ziel zou zijn binnengegaan. De duistere ziel heeft in zo’n geval door een of andere persoon in de omgeving van de aanstaande moeder een houvast gevonden, dat het voor deze ziel mogelijk maakte, zich te handhaven en het lichte te verdringen, ook wanneer de moeder of de vader tot de lichtere zielen behoren.

Daarmee is ook het raadsel opgelost, dat zo menig zwart schaap bij goede ouders terecht kon komen. Let echter een aanstaande moeder beter op zichzelf en op haar naaste omgeving, op degenen met wie zij omgaat, dan kan dit niet gebeuren.

Er is dus daarin alleen maar liefde te zien, wanneer de einduitwerking van de wetten geheel rechtvaardig uiteindelijk degenen die hier niet thuishoren, wegvaagt van de aardbodem, zodat zij omlaag storten naar dat rijk van het duister, waar zij volgens hun aard ook thuishoren. Zij kunnen daardoor lichtere zielen niet meer hinderen bij hun weg omhoog en zichzelf niet meer met nieuwe schuld belasten, maar kunnen misschien toch nog rijpen in de afschuw van hun eigen beleven. – –

Vanzelfsprekend zal de tijd komen, die met ijzeren greep de harten van alle mensen aangrijpt, en waarin met verschrikkelijke onverbiddelijkheid in ieder menselijk schepsel geestelijke hoogmoed wordt uitgeroeid. Dan verdwijnt ook iedere twijfel die nu de mensengeest belet in te zien, dat het goddelijke niet in hem is, maar hoog boven hem. Dat het slechts als het reinste beeld op het altaar van zijn innerlijke leven kan staan, waarnaar hij opziet in deemoedig gebed. –

Het is geen dwaling maar schuld, wanneer een mensengeest de overtuiging is toegedaan, ook goddelijk te zijn. Zulk een zelfverheffing moet hem ten val brengen, want het staat gelijk met een poging zijn God de scepter uit de hand te rukken, hem omlaag te halen naar dezelfde trede die de mens inneemt en die hij tot dusver niet eens naar behoren waarmaakte, omdat hij meer wilde zijn en naar de hoogten kijkt die hij toch nooit kan bereiken, niet eens kan bevatten. Zo zag hij achteloos alle werkelijkheid over het hoofd, maakte zichzelf niet alleen volkomen nutteloos in de schepping, maar nog veel erger, regelrecht tot een plaag!

Uiteindelijk zal hem als gevolg van zijn eigen verkeerde instelling met angstaanjagende duidelijkheid worden bewezen, dat hij in zijn huidige zo diep gezonken staat niet eens de schaduw van iets goddelijks voorstelt. De hele schat van aards weten, die hij moeizaam heeft verzameld in al die duizenden jaren, zal dan voor de ontzette blik van zijn ogen niets blijken te zijn; hulpeloos zal hij aan zichzelf beleven, hoe de vruchten van zijn eenzijdige aardse streven nutteloos voor hem worden, en soms zelfs tot een vloek. Laat hij zich dan maar eens op zijn eigen goddelijkheid bezinnen, als hij kan! – –

Dwingend zal hem tegemoet dreunen: “Op de knieën, schepsel, voor uw God en Heer! Tracht niet, misdadig uzelf tot god te verheffen!” – –

Aan de eigenzinnigheid van de trage mensengeest komt een einde. –

Dan pas kan deze mensheid ook aan omhooggaan denken. Dat is dan ook de tijd waarin ten val zal komen, wat niet op goede bodem staat. Alles wat schijn is, de valse profeten en verenigingen die zich daaromheen groeperen, zullen ten onder gaan! Daarmee komen dan ook de tot dusver gevolgde verkeerde wegen duidelijk aan het licht.

Zo menige zelfgenoegzame zal dan ook met ontzetting beseffen, dat hij voor een afgrond staat en door verkeerde leiding snel omlaag glijdt, terwijl hij vol trots meende, op weg naar boven reeds het Licht te naderen! Dat hij beschermende poorten opende, zonder daarachter ook de volle kracht te bezitten om zich te verdedigen. Dat hij gevaren aantrok, die bij een natuurlijk gebeuren door hem omzeild zouden zijn. Gelukkig hij, die dan de juiste weg tot omkeer vindt!