De mensen verkeren op weinig uitzonderingen na in een grenzeloze en voor hen zeer noodlottige dwaling!
God heeft het niet nodig, hen na te lopen en erom te smeken dat zij aan zijn bestaan geloven. Ook zijn dienaren zijn niet uitgezonden om voortdurend te manen, zich vooral niet van hem af te keren. Dat zou immers belachelijk zijn. Het is een ontwaarden en neerhalen van de verheven Godheid, zo te denken en zoiets te verwachten.
Deze verkeerde opvatting richt grote schade aan. Gevoed wordt deze door het gedrag van vele werkelijk ernstige zielzorgers, die in echte liefde tot God en de mensen altijd weer proberen om mensen die alleen op het aardse gericht zijn te bekeren, hen te overtuigen en voor de kerk te winnen. Dat alles draagt er alleen maar toe bij, de toch al ruimschoots aanwezige hoge dunk die de mens van zijn eigen belangrijkheid heeft, mateloos aan te wakkeren en velen ten slotte werkelijk in de waan te brengen, dat zij erom gesmeekt moeten worden het goede te willen.
Dit veroorzaakt ook de zonderlinge instelling van het merendeel van alle ‘gelovigen’, die veeleer afschrikwekkende voorbeelden zijn dan dat zij navolging verdienen. Duizenden en nog eens duizenden voelen een zekere voldoening, een innerlijke verheffing door het besef dat zij aan God geloven, hun gebeden met de door hen op te brengen ernst opzeggen en hun naasten niet opzettelijk schade berokkenen.
In dit ‘innerlijke verheven zijn’ voelen zij een zekere beloning voor het goede, een dank van God voor hun volgzaamheid, bespeuren zij een verbonden zijn met God, aan wie zij ook af en toe denken met een zekere eerbiedige huivering, die een gevoel van gelukzaligheid doet ontstaan of achterlaat, dat zij met welbehagen genieten.
Maar deze scharen van gelovigen bewandelen een verkeerde weg. Zij leven gelukkig in een zelfgeschapen waan, waardoor zij, zonder zichzelf daarvan bewust te zijn, tot die farizeeërs behoren, die met een oprecht maar verkeerd gevoel van dankbaarheid hun kleine offers brengen: “Heer, ik dank U dat ik niet zo ben als zij.” Dit wordt niet uitgesproken, ook niet in werkelijkheid gedacht, maar het ‘verheffende gevoel’ in hun binnenste is niets anders dan dit onbewuste dankgebed, dat ook Christus reeds als verkeerd bestempelde.
Het ‘innerlijk verheven zijn’ is in deze gevallen niets anders dan het opwekken van een door gebed of gewild goede gedachten veroorzaakte eigen bevrediging. Zij die zich deemoedig noemen, zijn er meestal zeer ver van verwijderd, werkelijk deemoedig te zijn! Het vereist vaak zelfoverwinning om met zulke gelovigen te spreken. Nooit ofte nimmer zullen zij met deze instelling de zaligheid bereiken, die zij al zeker menen te bezitten! Laten zij maar oppassen, dat zij niet juist geheel verloren gaan in hun geestelijke hoogmoed, die zij voor deemoed houden.
Voor velen van de nu nog volkomen ongelovigen zal het gemakkelijker zijn het Rijk van God binnen te gaan, dan voor al die scharen met hun huichelachtige deemoed, die in werkelijkheid niet in alle eenvoud smekend, maar indirect eisend voor God treden, opdat hij hen zal belonen voor hun gebeden en vrome woorden. Hun smeekbeden zijn eisen, hun wezen is huichelarij. Zij zullen voor zijn aangezicht worden weggevaagd als leeg kaf. Zij krijgen hun loon, zeker, alleen anders dan zij denken. Zij hebben zich op aarde al voldoende verzadigd in het bewustzijn van hun eigen waarde.
Hun gevoel van behaaglijkheid verdwijnt spoedig bij het overgaan naar de fijnstoffelijke wereld, waarin het innerlijk aanvoelen, waarvan zij hier op aarde nauwelijks een vermoeden hadden, op de voorgrond treedt, terwijl het tot dusver voornamelijk slechts door gedachten opgewekte gevoel tot niets verwaait.
Het innerlijke, stille, zogenaamd deemoedige verwachten van iets beters is in werkelijkheid niets anders dan eisen, ook al wordt het in nog zulke mooie woorden anders uitgedrukt.
Iedere eis is echter een aanmatiging. Alleen God kan eisen! Ook Christus kwam niet smekend tot de mensen met zijn Boodschap, maar waarschuwend en eisend. Hij gaf wel uitleg over de Waarheid, maar hield niet lokkend zijn toehoorders beloningen voor ogen om hen daarmee aan te sporen beter te worden. Hij beval de ernstig zoekenden rustig en streng: “Ga heen en handel hiernaar!”
Eisend staat God voor de mensheid, niet lokkend en smekend, niet klagend en treurend. Rustig zal hij alle slechten, zelfs alle weifelaars aan het duister overlaten, om de naar omhoog strevenden niet langer aan de aanvallen bloot te stellen en om de anderen al datgene grondig te laten beleven wat zij voor juist houden, opdat zij tot het inzien van hun dwaling komen!