MODERNE GEESTESWETENSCHAP

M]{.Initial}oderne geesteswetenschap! Wat schaart zich allemaal onder deze vlag! Wat vindt elkaar daarbij, en wat bestrijdt elkaar ook daaronder! Een vergaarbak van ernstig zoeken, weinig weten, grote plannen, ijdelheid en domheid, dikwijls ook lege grootspraak en meer nog de meest gewetenloze handelsgeest. Uit deze wirwar komt niet zelden afgunst en grenzeloze haat voort, die ten slotte tot uiting komt in boosaardige wraakzucht van de laagste soort.

Bij dergelijke toestanden is het natuurlijk niet te verwonderen, wanneer veel mensen al die dwaze drukte uit de weg gaan met een vrees, alsof zij vergiftigd zouden worden wanneer zij ermee in aanraking komen. Zij hebben ook niet geheel ongelijk, want talloze aanhangers van de geesteswetenschap tonen in hun manier van doen waarlijk niets verlokkends, nog minder iets aantrekkelijks, maar alles aan hen maant veeleer ieder ander mens tot de grootste voorzichtigheid.

Vreemd is het, dat het hele terrein van de zogenaamde geesteswetenschap, die vaak door kwaadwilligen of onwetenden met geestenwetenschap wordt verwisseld, tegenwoordig nog als een soort niemandsland geldt, waarin iedereen ongehinderd, ja zelfs onbeperkt en ongestraft zijn gang mag gaan.

Het geldt als zodanig. Maar de ervaringen hebben al heel vaak geleerd, dat dit niet zo is!

Talloze pioniers op dit gebied, die lichtzinnig genoeg waren om zich met slechts ingebeeld weten onderzoekend enige stappen voorwaarts te wagen, werden hulpeloze slachtoffers van hun onachtzaamheid. Treurig is daarbij alleen, dat al deze slachtoffers vielen zonder dat de mensheid daarmee ook maar het geringste kon worden gegeven!

Elk van deze gevallen had er toch eigenlijk een bewijs voor moeten zijn, dat de ingeslagen weg niet de juiste is, omdat hij slechts schade en zelfs verderf, maar geen zegen brengt. Maar met een eigenaardige hardnekkigheid wordt op deze verkeerde wegen voortgegaan, worden steeds weer nieuwe offers gebracht; over ieder aangetroffen stofkorreltje van nieuw ontdekte vanzelfsprekendheid in de geweldige schepping wordt grote ophef gemaakt en worden talloze verhandelingen geschreven, die veel ernstig zoekende mensen moeten afschrikken, omdat het onzekere tasten daarin duidelijk voelbaar wordt.

Al het onderzoeken tot nog toe is in werkelijkheid meer een gevaarlijk spel te noemen met een achtergrond van goede wil.

Het als niemandsland beschouwde gebied van de geesteswetenschap zal nooit ongestraft kunnen worden betreden, wanneer men niet eerst met de geestelijke wetten in hun volle omvang rekening weet te houden. Ieder bewust of onbewust verzet hiertegen, dat wil zeggen ‘niet in overeenstemming met deze wetten handelen’, wat hetzelfde betekent als overtreding, moet in zijn onvermijdelijke wisselwerking de vermetele, lichtvaardige of lichtzinnige treffen, die deze niet nauwkeurig in acht neemt of niet in staat is in acht te nemen.

Het niet-aardse met aardse middelen en mogelijkheden te willen verkennen is niet anders dan wanneer een met de aardse gevaren nog niet vertrouwd, onontwikkeld kind in een oerwoud gezet en alleen gelaten zou worden, waar slechts een daarvoor volledig toegerust mens in de kracht van zijn leven en met alle voorzichtigheid kans heeft, er zonder schade doorheen te komen.

De moderne beoefenaars van de geesteswetenschap vergaat het in hun tegenwoordige werkwijze niet anders, ook al denken zij het nog zo serieus te menen en wagen zij werkelijk alleen ter wille van de kennis veel, om de mensen daarmee vooruit te helpen over een grens, waar zij reeds lang aankloppen en verlangend staan te wachten.

Als kinderen staan deze onderzoekers nu nog daarvoor, hulpeloos, tastend, zonder de gevaren te kennen die hun elk ogenblik tegemoet kunnen stromen of die zich via hen over andere mensen kunnen uitstorten, wanneer hun tastende pogingen een bres in de natuurlijke beschermwal slaan of een deur openen, die beter voor velen gesloten zou kunnen blijven.

Lichtzinnigheid kan dit alles alleen maar genoemd worden, niet dapperheid, zolang zij die zo willen doordringen niet zeker weten dat zij alle eventuele gevaren beslist direct het hoofd kunnen bieden, niet alleen voor zichzelf maar ook voor anderen.

Het meest onverantwoordelijk handelen de ‘onderzoekers’ die zich met experimenten bezighouden. Op de misdaad van de hypnose is al herhaaldelijk gewezen.[^*]

[^*] Voordracht: ‘De misdaad van de hypnose’

De onderzoekers die nog op andere manieren experimenteren, begaan in de meeste gevallen de betreurenswaardige fout, dat zij, zelf niets wetend – want anders zouden zij het zeker niet doen – andere zeer gevoelige of mediale mensen in een magnetische of zelfs hypnotische slaap brengen, om hen daardoor dichter bij de voor lichamelijke ogen onzichtbare invloeden van de ‘generzijdse’ wereld te brengen, in de hoop daardoor allerlei te kunnen horen en waarnemen, wat bij een volledig wakende toestand van de betreffende proefpersoon niet mogelijk zou zijn.

In minstens vijfennegentig van de honderd gevallen stellen zij daarmee zulke mensen aan grote gevaren bloot waar deze nog niet tegen opgewassen zijn, want elke vorm van kunstmatige hulp om dieper door te dringen is een binding van de ziel, waardoor deze in een toestand van gevoeligheid gedrongen wordt, die verder gaat dan haar natuurlijke ontwikkeling zou toelaten.

Het gevolg is, dat de ziel van een dergelijk slachtoffer van deze experimenten plotseling in een gebied staat, waarin zij door de kunstmatige hulp van haar natuurlijke bescherming is beroofd of waarvoor zij haar natuurlijke bescherming mist, die alleen door eigen, innerlijk gezonde ontwikkeling kan ontstaan.

Men moet zich zulk een beklagenswaardige persoon als beeld zo voorstellen, alsof hij ontbloot aan een paal gebonden staat, als lokaas op gevaarlijk terrein ver vooruitgeschoven, om het nog onbekende leven en werken aldaar naar zich toe te trekken en zelfs op zich te laten inwerken, opdat hij daarover verslag kan uitbrengen of opdat verschillende uitwerkingen mede door zijn hulp, door het afgeven van bepaalde aardse substanties uit zijn lichaam, ook voor anderen zichtbaar worden.

Een dergelijke proefpersoon kan tijdelijk, door de verbinding die zijn naar voren geduwde ziel met het aardse lichaam moet onderhouden, alles wat er gebeurt als door een telefoon meedelen en aan de toeschouwer doorgeven.

Wordt daarbij echter de aldus kunstmatig vooruitgeschoven post op de een of andere wijze aangevallen, dan kan hij zich door het ontbreken van de natuurlijke bescherming niet verdedigen; hij is hulpeloos prijsgegeven, omdat hij door hulp van anderen slechts kunstmatig een gebied werd binnengeduwd, waar hij volgens zijn eigen ontwikkeling nog niet of in het geheel niet thuishoort. De zogenaamde onderzoeker echter, die hem uit dorst naar kennis in dat gebied naar binnen duwde, kan hem evenmin helpen, omdat hij zelf daar, waar het gevaar vandaan komt, vreemd en onervaren is en daarom niets tot enigerlei bescherming kan doen.

Zo komt het, dat de onderzoekers tot misdadigers worden, zonder het te willen en zonder volgens aardse gerechtigheid daarvoor voor de rechter gedaagd te kunnen worden. Dat sluit echter niet uit dat de geestelijke wetten met volle scherpte hun wisselwerking doen gelden en de onderzoeker aan zijn slachtoffer ketenen.

Zo menig proefpersoon had te lijden onder fijnstoffelijke aanvallen, die na verloop van tijd, vaak ook snel of al direct, eveneens grofstoffelijk-lichamelijk tot uitwerking komen, zodat aardse ziekte of dood het gevolg is, waarmee echter de schade aan de ziel nog niet wordt opgeheven.

De zich onderzoekers noemende waarnemers echter, die hun slachtoffers in de onbekende gebieden duwen, staan tijdens zulke gevaarlijke experimenten in de meeste gevallen in goede aardse dekking onder de bescherming van hun lichaam en hun dagbewustzijn.

Zelden komt het voor, dat gelijktijdig ook zij aan de gevaren van de proefpersonen blootstaan, dat deze dus dadelijk op hen overgaan. Maar bij hun aardse dood, het overgaan naar de fijnstoffelijke wereld, moeten zij dan, doordat zij aan hun slachtoffers vastgeketend zitten, in elk geval daarheen, waar deze eventueel naartoe getrokken worden, om pas samen met hen langzaam weer omhoog te kunnen klimmen.

Het kunstmatig naar buiten duwen van een ziel naar een ander gebied moet nu niet altijd zo worden opgevat, dat de ziel het lichaam verlaat en wegzweeft tot in een andere sfeer. In de meeste gevallen blijft zij rustig in het lichaam. Zij wordt alleen door de magnetische of hypnotische slaap onnatuurlijk gevoelig gemaakt, zodat zij op veel fijnere stromingen en invloeden reageert dan in haar natuurlijke toestand mogelijk zou zijn.

Het spreekt vanzelf, dat bij deze onnatuurlijke toestand niet de volledige kracht aanwezig is, die zij anders zou hebben, wanneer zij door innerlijke ontwikkeling zelf zo ver zou zijn gekomen en daardoor op deze nieuwe, fijnere bodem stevig en zeker zou staan, en zij een even sterke kracht tegenover alle inwerkingen zou kunnen stellen.

Door dit gebrek aan gezonde volledige kracht ontstaat door het kunstmatige een ongelijkheid, die storingen met zich mee moet brengen. Het gevolg daarvan is onvermijdelijke vertroebeling in alle innerlijke waarnemingen, waardoor misvormingen van de werkelijkheid ontstaan.

De oorzaken van de onjuiste berichten, van de talloze dwalingen liggen altijd weer alleen bij de onderzoekers zelf, door hun schade veroorzakende hulp. Daardoor komt het ook, dat bij de vele ‘onderzochte’ dingen uit het occulte gebied waarover men reeds beschikt, allerlei niet met strenge logica in overeenstemming te brengen is. Er komen talloze dwalingen in voor, die tot dusver nog niet als zodanig onderkend konden worden.

Met deze zichtbaar verkeerde wegen nu wordt absoluut niets bereikt wat ook maar enigszins nut of zegen voor de mensen zou kunnen hebben.

Nut kan voor de mensen in werkelijkheid alleen maar iets hebben, dat hen omhoog helpt of hun tenminste een weg daarheen toont. Maar dat alles is bij deze proefnemingen bij voorbaat en voor altijd volkomen uitgesloten!

Door kunstmatige hulp is een onderzoeker soms uiteindelijk toch in staat om een gevoelig of mediaal mens uit het aards-grofstoffelijke lichaam naar buiten te dringen in de fijnstoffelijke wereld die zich het dichtst bij hem bevindt, maar geen haarbreed hoger dan daarheen, waar deze mens volgens zijn eigen innerlijke gesteldheid ook werkelijk thuishoort. Integendeel, door kunstmatige hulp kan hij hem niet eens daarheen brengen, maar altijd alleen maar naar de naaste omgeving van al het aardse.

Deze allernaaste omgeving van het aardse echter kan slechts al datgene van het generzijdse bevatten, wat nog sterk aan de aarde gebonden is, wat door zijn minderwaardigheid, verdorvenheid en hartstocht aan de aarde geketend blijft.

Natuurlijk zal zich hier en daar ook wel eens iets dat verder gevorderd is tijdelijk in deze omgeving ophouden. Dat is echter niet altijd te verwachten. Iets hoogs kan zich daar, zuiver op grond van de natuurwetten, niet bevinden. Nog eerder zou de wereld uit zijn voegen geraken of … het zou moeten zijn, dat er in een mens een basis voor de verankering van het Licht aanwezig was!

Dat men dit echter bij een proefpersoon of bij een dergelijke in het duister tastende onderzoeker zou mogen verwachten, is nauwelijks aan te nemen. Dus blijft het gevaar en de nutteloosheid van al deze experimenten bestaan.

Het is ook zeker, dat iets echt hogers niet in de nabijheid van een medium kan komen, veel minder nog via dit medium kan spreken, zonder de aanwezigheid van een ver ontwikkeld mens. Materialisaties uit hogere regionen komen al helemaal niet in aanmerking, en wel het allerminst bij de geliefde plagerige spelletjes met kloppen, bewegen van voorwerpen enzovoort. De kloof is er veel te groot voor om zonder meer overbrugd te kunnen worden.

Al deze dingen kunnen ondanks een medium alleen worden uitgevoerd door zielen in het generzijdse die nog zeer nauw met de materie verbonden zijn. Als het anders mogelijk zou zijn, dus als iets hoogs zo gemakkelijk met de mensheid in verbinding zou kunnen treden, dan had Christus immers in het geheel niet mens hoeven te worden, maar had hij zijn zending ook zonder dit offer kunnen vervullen.[^**] De mensen van tegenwoordig echter zijn innerlijk zeker niet hoger ontwikkeld dan in de tijd dat Jezus op aarde was, zodat niet aan te nemen is dat een verbinding met het Licht gemakkelijker tot stand te brengen zou zijn dan destijds.

[^**] Voordracht: ‘De Verlosser’

Nu zeggen de beoefenaars van de geesteswetenschap weliswaar, dat zij in de eerste plaats het doel nastreven om leven aan gene zijde, met name het voortbestaan na de aardse dood, vast te stellen, en dat er bij de thans algemeen heersende scepsis zeer zwaar en grof geschut nodig is, dus aards tastbare bewijzen, om in de afweerstelling van de tegenstanders een bres te slaan.

Deze motivering is er echter geen verontschuldiging voor, dat mensenzielen op zulk een lichtvaardige wijze steeds weer op het spel worden gezet!

Bovendien is er in het geheel geen dwingende noodzaak, kwaadwillige tegenstanders beslist te willen overtuigen! Het is toch bekend, dat deze niet bereid zouden zijn te geloven, ook al zou een engel rechtstreeks uit de hemel komen om hun de waarheid te verkondigen. Na zijn vertrek zouden zij eenvoudig beweren, dat het een massa-hallucinatie geweest was en geen engel, of een andere uitvlucht gebruiken. En wanneer iets of iemand wordt gezonden, dat of die op de aarde blijft, dus niet weer verdwijnt of onzichtbaar wordt, dan zijn er weer andere uitvluchten, juist omdat het voor iemand die niet aan een generzijdse wil geloven weer te aards zou zijn.

Zij zouden er niet voor terugschrikken een dergelijk bewijs voor bedrog en zulk een mens voor fantast, fanaticus of ook voor bedrieger uit te maken. Of het nu te aards is of te onaards, of allebei tegelijk, iets zullen zij altijd hebben aan te merken en te betwijfelen. En wanneer zij zich helemaal niet anders meer weten te helpen, dan gooien ze met vuil, gaan ook tot krachtiger aanvallen over en deinzen niet voor gewelddadigheden terug.

Om deze mensen te overtuigen, daarvoor zijn offers dus niet op hun plaats! Nog minder echter voor vele van de zogenaamde aanhangers. Deze menen in een zonderling soort hoogmoed, door hun in de meeste gevallen wat vaag en fantastisch geloof aan het leven in het generzijdse, daaraan bepaalde eisen te kunnen stellen, waarbij zij van hun kant iets moeten ‘zien’ of ‘beleven’. Zij verwachten van hun leiders tekenen uit het generzijdse als loon voor hun braafheid.

Ronduit belachelijk doen daarbij vaak de vanzelfsprekende verwachtingen aan die zij koesteren, evenals het betweterige, goedmoedig vergevende glimlachen als blijk van hun eigenlijke niet-weten. Het is vergif, deze massa’s ook nog vertoningen te willen geven, want omdat zij zo veel menen te weten, beschouwen zij de experimenten als niet veel meer dan welverdiende uren van vermaak, waarbij zielen uit het generzijdse de rol van variété-artiesten dienen te spelen.

Laten wij nu echter eens van de grote experimenten afstappen en kijken naar de kleine, zoals de tafeldans. Deze zijn volstrekt niet zo onschuldig als gedacht wordt, maar vormen door hun bijzonder grote en gemakkelijke verbreidingsmogelijkheid een zeer ernstig gevaar!

Iedereen zou daarvoor gewaarschuwd moeten worden! Wetenden moeten zich met afschuw afwenden, wanneer zij zien hoe lichtvaardig met deze dingen wordt omgegaan. Hoe velen van de aanhangers trachten hun ‘weten’ in allerlei kringen te tonen door tot experimenten met de tafeldans aan te sporen, of in de familiekring glimlachend of geheimzinnig fluisterend, de haast tot een spelletje geworden oefening met letters en een glas of een ander hulpmiddel in te voeren, dat door een licht opleggen van de hand naar verschillende letters toeglijdt of ernaartoe getrokken wordt, zodat op die manier woorden worden gevormd.

Met angstwekkende snelheid heeft zich dit alles tot een gezelschapsspel ontwikkeld, dat lachend, spottend en soms aangenaam griezelend wordt bedreven.

Dagelijks zitten zo in families oudere en jongere dames samen of ook alleen aan een tafeltje achter op karton getekende letters, die zo mogelijk ook nog in een heel speciale vorm getekend moeten zijn, opdat de fantasieopwekkende hocus pocus niet ontbreekt, die overigens daarbij geheel overbodig is, want het zou ook zonder die hocus pocus gaan, wanneer de betreffende persoon er maar enigszins aanleg voor heeft. En dat hebben ontelbaar velen!

De moderne beoefenaars van de geesteswetenschap en de leiders van de occulte verenigingen verheugen zich hierover, omdat daarbij echte woorden en zinnen worden gevormd waaraan degene die de handeling uitvoert noch bewust, noch onbewust heeft gedacht. Hij moet daardoor overtuigd worden en het aantal aanhangers van het ‘occulte’ doen toenemen.

Geschriften van occulte richtingen wijzen hierop, sprekers maken zich er sterk voor, hulpmiddelen worden gefabriceerd en verkocht die al deze onzin vergemakkelijken, en zo treedt bijna de hele occulte wereld op als goed werkende handlanger van het duister, in de eerlijke overtuiging daarmee een priester van het licht te zijn!

Deze feiten alleen al bewijzen de volslagen onwetendheid die bij dit soort occulte initiatieven heerst! Er blijkt uit, dat niemand van al deze mensen werkelijk ziende is! Het mag niet als bewijs van het tegendeel gelden, wanneer zich hier en daar eens vanuit een dergelijk begin een goed medium heeft ontwikkeld, of veeleer, wat juister is, wanneer een goed medium in het begin tijdelijk hierbij werd betrokken.

De weinige mensen die van het begin af aan daartoe bestemd zijn, hebben in hun eigen natuurlijke ontwikkeling een heel andere en zorgvuldig ieder stadium begeleidende bescherming, die anderen niet hebben. Deze bescherming werkt echter ook alleen maar bij een natuurlijke, eigen ontwikkeling, zonder enige kunstmatige hulp! Omdat juist alleen op al het natuurlijke als vanzelfsprekend een bescherming rust.

Zodra er ook maar de geringste hulp aan te pas komt, hetzij door oefeningen van de persoon zelf, hetzij van de zijde van anderen door magnetische slaap of hypnose, dan wordt het onnatuurlijk en past daardoor niet meer geheel in de natuurlijke wetten, die als enige in staat zijn bescherming te verlenen. Komt hier nu nog onwetendheid bij, zoals die op het ogenblik overal bestaat, dan is het onheil compleet. Het willen alleen zal het kunnen nooit vervangen wanneer het tot handelen komt. Niemand echter mag de grenzen van zijn kunnen overschrijden.

Het is vanzelfsprekend niet uitgesloten, dat bij de honderdduizenden die zich met deze gevaarlijke spelletjes bezighouden, er hier en daar iemand werkelijk ongestraft vanaf komt en goede bescherming heeft. Ook worden velen slechts zo geschaad, dat het op aarde nog niet merkbaar wordt, zodat zij pas na hun aardse dood plotseling moeten inzien, welke domheden zij eigenlijk hebben begaan. Maar er zijn ook velen, die reeds op aarde zichtbare schade oplopen, ook al komen zij tijdens hun leven op aarde nooit tot het inzicht van de eigenlijke oorzaak.

Daarom moet de fijnstoffelijke en geestelijke toedracht tijdens deze spelletjes een keer worden uitgelegd. Deze is even eenvoudig als alles in de schepping en in het geheel niet zo gecompliceerd, maar toch ook weer moeilijker dan velen het zich voorstellen.

Zoals de aarde nu is, heeft door het willen van de mensheid het duister de overhand over al het materiële gekregen. Het staat dus in al het materiële zo goed als op eigen, hem vertrouwde bodem en kan zich daardoor in het materiële ook volledig doen gelden. Het is daarin dus in zijn element, strijdt op hem bekend terrein. Daardoor domineert het op het ogenblik in al het materiële, dus grofstoffelijke over het licht.

Het gevolg daarvan is, dat in al het materiële de kracht van het duister sterker wordt dan die van het licht. Nu komt echter bij dergelijke spelletjes, zoals tafeldans enzovoort, het Licht, dus iets hoogs, in het geheel niet in aanmerking. Wij kunnen hoogstens spreken van iets slechts, dus het duister en iets beters, dus het lichtere.

Maakt nu een mens gebruik van een tafel of een glas of wat voor grofstoffelijk voorwerp dan ook, dan begeeft hij zich daarmee in het strijdperk dat voor het duister vertrouwd terrein is. Een terrein, dat al het duister als zijn bezit beschouwt. Hij geeft het daarmee bij voorbaat gelegenheid een kracht te ontplooien, waartegen hij geen gelijkwaardige bescherming kan opbrengen.

Laten wij eens een spiritistische zitting of ook alleen maar een gezelschapsspel met een tafel bekijken en daarbij de geestelijke of liever gezegd de fijnstoffelijke toedracht volgen.

Wanneer één of meer mensen naar een tafel toegaan met de bedoeling om door middel daarvan in verbinding te komen met zielen in het generzijdse, waarbij deze dan klopsignalen moeten geven of, wat gebruikelijker is, de tafel moeten bewegen om uit deze tekens woorden te kunnen vormen, dan wordt in de eerste plaats door de verbinding met de materie iets duisters mee aangetrokken, dat het doorgeven van de berichten overneemt.

Met grote behendigheid gebruiken de zielen in het generzijdse vaak hoogdravende woorden en proberen zij de voor hen immers gemakkelijk te lezen gedachten van de mensen te beantwoorden op een manier die met hun wensen overeenstemt, maar ze brengen hen bij ernstige vragen steeds op een dwaalspoor en proberen hen, wanneer het vaak voorkomt, langzamerhand onder hun steeds sterker wordende invloed te brengen en zo langzaam maar zeker omlaag te trekken. Daarbij laten zij deze op een dwaalspoor gebrachte mensen heel handig in de waan, dat zij omhooggaan.

Komt echter, misschien meteen in het begin of ook bij een of andere gelegenheid, een overleden bloedverwant of vriend door middel van de tafel aan het woord, wat heel vaak voorkomt, dan is deze misleiding nog gemakkelijker uitvoerbaar. De mensen zullen constateren, dat het werkelijk een bepaalde vriend moet zijn die zich bemerkbaar maakt, en zullen daarna geloven, dat hij het altijd is, wanneer door middel van de tafel bepaalde uitspraken worden gedaan en de naam van deze bekende als bron wordt genoemd.

Dat is echter niet het geval! Niet alleen dat het steeds goed oplettende duister handig deze naam gebruikt om misleidingen een zo geloofwaardig mogelijk tintje te geven en het vertrouwen van de vragenstellers te winnen, maar het gaat zelfs zo ver, dat een duistere ziel midden in een door de werkelijke vriend begonnen zin ingrijpt en deze opzettelijk verkeerd afmaakt. Dan doet zich het nauwelijks bekende feit voor, dat aan een vlot en ononderbroken gevormde volzin twee zielen hebben deelgenomen. Eerst de werkelijke en misschien heel lichte, dus reinere vriend, en dan een duistere, kwaadwillende ziel, zonder dat de vragensteller daar iets van merkt.

De gevolgen daarvan kan men zich gemakkelijk voorstellen. Degene die vol vertrouwen is, wordt teleurgesteld en zijn geloof aan het wankelen gebracht. De tegenstander wordt door de toedracht gesterkt in zijn spot en zijn twijfel, en gebruikt deze soms voor heftige aanvallen tegen de hele zaak. In werkelijkheid hebben echter beiden ongelijk, wat alleen maar is toe te schrijven aan de in dit hele gebied nog heersende onwetendheid.

Het gebeuren speelt zich echter in alle natuurlijkheid af: is een lichtere, werkelijke vriend bij de tafel om op de wens van de vragende in te gaan en zich te melden, en dringt er dan een duistere ziel naderbij, dan moet deze lichtere ziel terugwijken, omdat de duistere ziel door de bemiddelende materie van de tafel een grotere kracht kan ontplooien, daar al het materiële tegenwoordig in feite het gebied van het duister is.

De fout wordt gemaakt door de mens die iets materieels kiest en zo bij voorbaat een ongelijke basis schept. Het dichte, zware, dus donkere staat alleen al wat dichtheid betreft dichter bij de grofstoffelijke materie dan het lichte, reine, minder zware en kan door de nauwere verbinding een grotere kracht ontplooien.

Aan de andere kant heeft echter ook het lichtere dat zich nog door middel van iets materieels kenbaar kan maken, nog altijd een dichtheid die de dichtheid van de materie tot op zekere hoogte benadert, anders zou een verbinding met de materie om een bericht door te geven in het geheel niet meer mogelijk zijn. Dat vereist op zichzelf een benaderen van de materie, hetgeen op zijn beurt de mogelijkheid van een bezoedeling met zich meebrengt zodra via de materie de verbinding met het duister tot stand is gebracht.

Om aan dit gevaar te ontkomen, kan het lichtere niets anders doen dan zich snel van de materie, dus van de tafel of van een ander hulpmiddel, terug te trekken zodra een duistere ziel daarnaar grijpt, om de verbindende schakel te verbreken die een brug over de natuurlijke, scheidende en daardoor beschermende kloof zou vormen.

Het is in het generzijdse dan niet te vermijden, dat in zulke gevallen de mens die door middel van een tafel experimenteert, aan de lage invloeden moet worden prijsgegeven. Hij heeft overigens door zijn eigen handelen ook niet anders gewild; want het niet kennen van de wetten kan hem ook hier niet beschermen.

Met de hierboven beschreven toedracht zal voor menigeen veel dat tot dusver onverklaarbaar was duidelijk worden, talrijke raadselachtige tegenstrijdigheden worden hierdoor opgelost, en hopelijk zullen nu ook vele mensen hun handen van dergelijk gevaarlijk speelgoed afhouden!

Op dezelfde uitvoerige wijze kunnen nu ook de gevaren van alle andere experimenten worden beschreven, die veel groter zijn en veel ernstiger. Maar wij willen het voorlopig bij deze dingen laten, die het meest gebruikelijk en het meest verbreid zijn.

Slechts één ander gevaar moet nog worden genoemd. Door deze manier van vragen stellen en verlangen naar antwoorden en raadgevingen maken de mensen zich zeer onzelfstandig en afhankelijk. Het tegendeel van datgene, wat het doel van het leven op aarde is.

De weg is verkeerd, in ieder opzicht! Hij brengt alleen maar schade, geen winst. Het is een rondkruipen over de grond, waar het gevaar bestaat steeds weer op weerzinwekkend ongedierte te stuiten, zijn krachten te verspillen en ten slotte afgemat aan zijn eind te komen … voor niets!

Met dit ‘willen onderzoeken’ wordt echter ook aan de zielen in het generzijdse grote schade berokkend!

Vele duistere zielen wordt daarmee gelegenheid geboden – zij worden zelfs daarmee regelrecht in de verleiding gebracht – om kwaad te doen en nieuwe schuld op zich te laden, waar zij anders niet zo gemakkelijk toe zouden kunnen komen. Anderen echter worden, ten gevolge van het voortdurend gebonden zijn door wensen en gedachten, van hun streven naar omhoog afgehouden.

Bij nauwlettende beschouwing van deze onderzoekingen doet het vaak zo kinderachtig eigenzinnig aan, zo doordrongen van een niets ontziend egoïsme, daarbij echter ook zo onbeholpen, dat men zich hoofdschuddend moet afvragen hoe het eigenlijk mogelijk is, dat iemand voor het algemene publiek een land wil ontsluiten, waarvan hij zelf geen voetbreed werkelijk kent.

Verkeerd is het ook, dat al dit zoeken in de volle openbaarheid plaatsvindt. Daarmee wordt aan de fantasten en charlatans ruim baan gegeven en wordt het voor de mensheid moeilijk gemaakt vertrouwen te krijgen.

Op geen enkel gebied is dit ooit gebeurd. En ieder onderzoek waarvan tegenwoordig het volledige succes wordt erkend, heeft vooraf tijdens het zoeken talrijke mislukkingen doorgemaakt. Men liet deze echter de buitenwereld niet zo meebeleven! Deze raakt daardoor vermoeid en verliest mettertijd alle belangstelling. Het gevolg is dat, wanneer de waarheid uiteindelijk gevonden wordt, de grote kracht van een omwenteling teweegbrengende en alles bezielende geestdrift al van te voren verloren moest gaan. De mensheid is dan niet meer in staat tot juichend meeslepend enthousiasme.

De reacties bij het inzien van verkeerde wegen worden tot scherpe wapens in de handen van vele tegenstanders, die honderdduizenden mensen mettertijd zulk een wantrouwen kunnen inboezemen, dat deze arme mensen op het moment dat de Waarheid zijn intrede doet, deze niet meer ernstig zullen willen toetsen, uit louter angst voor nieuwe teleurstelling! Zij houden hun oren dicht, die anders open zouden zijn geweest, en verzuimen zo de laatste tijdspanne die hun nog de gelegenheid zou kunnen geven om op te stijgen naar het Licht.

Daarmee heeft dan het duister een nieuwe overwinning behaald! Danken kan het hiervoor de onderzoekers, die het daarvoor de hand reikten en die zich graag en vol trots opwerpen als leiders van de moderne geesteswetenschappen!