Zoekend richt menig mens de blik omhoog naar Licht en Waarheid. Zijn wens is groot, maar heel vaak ontbreekt het hem aan ernstig willen! Meer dan de helft van alle zoekers is niet echt. Zij komen met hun eigen, vastomlijnde mening. Als zij daaraan ook maar iets moeten veranderen, wijzen zij veel liever al het voor hen nieuwe af, ook al is daarin de Waarheid gelegen.
Duizenden moeten daardoor zinken, omdat zij – verstrikt in hun verkeerde overtuiging – de bewegingsvrijheid beperkten, die zij voor de redding door de vlucht omhoog nodig hebben.
Altijd zijn er wel mensen die denken, de hele waarheid al te hebben begrepen. Zij zijn niet van plan om op grond van wat zij hebben gehoord en gelezen ook zichzelf aan een strenge toetsing te onderwerpen.
Voor zulke mensen spreek ik natuurlijk niet!
Ik spreek ook niet tot kerken en partijen, niet tot orden, sekten en verenigingen, maar uitsluitend in alle eenvoud tot de mens zelf. Het is verre van mij iets bestaands omver te werpen, want ik bouw op, geef opheldering over tot dusver onbeantwoorde vragen die ieder in zich moet dragen, zodra hij maar enigszins nadenkt.
Slechts één hoofdvoorwaarde is voor iedere toehoorder beslist nood-zakelijk: ernstig zoeken naar de Waarheid. Hij moet de woorden innerlijk toetsen en tot leven laten komen, en niet op de spreker letten. Anders zal hij er niets bij winnen. Voor allen die daar niet naar streven, is elke opoffering van tijd bij voorbaat verloren.
Het is ongelofelijk, hoe naïef de overgrote meerderheid van alle mensen er krampachtig onwetend over wil blijven, waar zij vandaan komen, wat zij zijn, waar zij heen gaan!
Geboorte en dood, de niet te scheiden polen van al het leven op aarde, zij zouden geen geheim voor de mens mogen zijn.
Tweeslachtigheid ligt in de opvattingen die de wezenskern van de mensen willen ontraadselen. Dat is het gevolg van de ziekelijke grootheidswaan van de bewoners van de aarde, die er zich vermetel op beroemen, dat hun innerlijke kern goddelijk zou zijn!
Kijk toch eens naar de mensen! Kunt u soms iets goddelijks in hen vinden? Deze dwaze bewering zou men godslastering moeten noemen, omdat het een omlaag halen van het goddelijke betekent.
De mens heeft niet één stofkorreltje van het goddelijke in zich!
Deze opvatting is niets anders dan ziekelijke zelfverheffing, die alleen maar voortkomt uit het bewustzijn, deze dingen niet te kunnen begrijpen. Waar is de mens die eerlijk kan zeggen, dat een dergelijk geloof voor hem ook tot overtuiging werd? Wie zichzelf ernstig onderzoekt, moet het ontkennen. Hij voelt heel goed, dat het slechts een verlangen, een wens is, iets goddelijks in zich te dragen, maar geen zekerheid! Men spreekt heel juist van een vonk van God, die de mens in zich draagt. Deze vonk van God is echter geest! Hij is niet een deel van het goddelijke.
De uitdrukking vonk is een heel juiste benaming. Een vonk ontwikkelt zich en spat weg, zonder iets van de hoedanigheid van zijn oorsprong mee te nemen of in zich te dragen. Zo ook hier. Een vonk van God is niet zelf goddelijk.
Waar zulke fouten al ten aanzien van de oorsprong van het zijn kunnen worden gevonden, daar moethet misgaan met de hele ontwikkeling! Wanneer ik op een verkeerde ondergrond heb gebouwd, moet eens het hele bouwwerk gaan wankelen en ineenstorten.
De oorsprong geeft immers aan een ieder houvast voor zijn gehele bestaan en ontwikkeling! Wie nu, zoals gebruikelijk, probeert ver boven zijn oorsprong uit te grijpen, reikt naar hetgeen zijn bevattingsvermogen te boven gaat, en hij verliest daarmee als heel natuurlijk gevolg ieder houvast.
Wanneer ik bijvoorbeeld naar de tak van een boom grijp, die door zijn aardse hoedanigheid van dezelfde geaardheid is als mijn aardse lichaam, dan biedt deze tak mij een houvast en kan ik mij er daarom aan omhoog zwaaien.
Grijp ik echter boven deze tak uit, dan kan ik in de anders geaarde lucht geen steunpunt vinden en … kan daarom ook niet omhoogkomen! Dat is toch duidelijk.
Precies zo is het met de innerlijke gesteldheid van de mens, die men ziel noemt en de kern ervan geest.
Wil deze geest het noodzakelijke houvast krijgen vanuit zijn oorsprong, dat voor hem onontbeerlijk is, dan mag hij vanzelfsprekend niet proberen hiervoor tot in het goddelijke te reiken. Dat wordt dan onnatuurlijk, want het goddelijke ligt veel te ver daarboven, is van een heel andere hoedanigheid!
En toch zoekt hij in zijn inbeelding verbinding met deze plaats die hij nooit kan bereiken, en verstoort daarmee een natuurlijk gebeuren. Als een versper-ring plaatst zijn verkeerde wensen zich belemmerend tussen hem en zijn nood-zakelijke krachttoevoer vanuit de oorsprong. Hij snijdt zichzelf daarvan af.
Daarom weg met dergelijke verkeerde opvattingen! Dan pas kan de mensengeest zijn volle kracht ontplooien, waaraan hij thans nog achteloos voorbij-gaat, en wordt hij tot datgene, wat hij kan en moet zijn, tot heer en meester in de schepping! Doch wel te verstaan: alleen in de schepping, niet boven deze staand.
Alleen het goddelijke staat boven de gehele schepping. –
God zelf, de oorsprong van al het zijn en leven, is, zoals het woord reeds zegt, goddelijk! De mens werd door Zijn Geest geschapen!
Geest is de Wil van God. Uit deze Wil nu ontstond de eerste schepping. Laten wij ons toch houden aan dit eenvoudige feit, het geeft ons de mogelijkheid tot beter begrijpen.
Ter vergelijking denke men eens aan zijn eigen wil. Deze is een daad, niet een stuk mens, anders zou de mens mettertijd in zijn vele wilsdaden uiteen moeten vallen. Er zou in het geheel niets van hem overblijven.
Niet anders is het ook bij God! Zijn Wil schiep het Paradijs! Zijn Wil echter is de Geest, die men met ‘Heilige Geest’ aanduidt. Het Paradijs was wederom ook alleen het werk van de Geest, niet een deel van Hemzelf. Dit betekent dat het zich een trap lager bevindt. De scheppende Heilige Geest, dus de levende Wil van God, ging niet in zijn schepping op. Hij gaf daarin ook niet een stuk van zichzelf weg, maar Hij bleef zelf geheel buiten de schepping. Dat zegt de Bijbel al volkomen helder en duidelijk met de woorden: “De Geest Gods zweefde over de wateren”, niet God in eigen persoon! Dat is tenslotte een verschil. De mens draagt dus ook niets van de Heilige Geest zelf in zich, maar alleen van de geest, die een werk van de Heilige Geest is, een wilsdaad.
In plaats van zich nu met dit feit bezig te houden, wil men hier met alle geweld al een leemte veroorzaken! Denk alleen maar eens aan de bekende op-vatting over de eerste schepping, aan het Paradijs! Dat zou beslist op deze aarde moeten zijn. Het kleine menselijke verstand trok daarmee een gebeuren, waar-mee noodzakelijkerwijs miljoenen jaren gemoeid waren, binnen zijn nauw in ruimte en tijd begrensde gezichtskring en stelde zichzelf voor als middelpunt en spil van het gehele wereldgebeuren. Het gevolg was, dat hij daardoor de weg naar het eigenlijke uitgangspunt van het leven zonder meer verloor.
In plaats van deze duidelijke weg, die hij niet meer kon overzien, moest in zijn religieuze opvattingen een vervanging gevonden worden, wilde hij niet zichzelf als bron van al het zijn en leven, en daarmeeals God aanduiden. Deze vervanging bood hem tot dusver het woord ‘geloof’! En aan het woord ‘geloof’ lijdt sindsdien de gehele mensheid! Nog sterker zelfs, dit niet juist begrepen woord dat al het verlorene moest vervangen, werd voor de mensheid de klip, waarop zij volledig schipbreuk leed!
Met geloof stelt alleen de trage zich tevreden. Het geloof is het ook, waaraan de spotters houvast kunnen vinden. En het woord ‘geloof’, verkeerd uitgelegd, is de slagboom die tegenwoordig de weg naar de verdere ontwikkeling van de mensheid belemmert.
Geloof moet niet de mantel zijn die de traagheid van al het denken grootmoedig bedekt,
en die als een slaapziekte behaaglijk verlammend over de geest van de mensen komt! Geloof moet in werkelijkheid tot overtuiging worden. Overtuiging echter vereist leven, uiterst zorgvuldig toetsen!
Waar ook maar één enkele leemte blijft bestaan, één enkel onopgelost raadsel, daar wordt overtuiging onmogelijk. Geen mens kan daarom een werkelijk geloof bezitten, zolang er in hem één vraag open blijft.
De uitdrukking ‘blind geloof’ geeft al aan hoe ongezond dit is!
Levend moet het geloof zijn, zoals Christus destijds al eiste, anders heeft het geen zin. Levend zijn betekent echter zich bewegen, afwegen en ook toetsen! Geen klakkeloos aannemen van gedachten van anderen. Blind geloven betekent toch duidelijk: niet begrijpen. Wat de mens echter niet begrijpt, kan hem ook geestelijk geen nut brengen, want wanneer hij het niet begrijpt, kan het niet in hem tot leven komen.
Wat hij echter innerlijk niet volledig beleeft, wordt hem ook nooit eigen! En alleen wat hem eigen is brengt hem omhoog.
Tenslotte kan ook niemand een weg bewandelen en vooruitkomen, wanneer er in die weg grote kloven gapen. De mens moet geestelijk daar blijven staan, waar hij niet wetend verder kan. Dit is een onomstotelijk feit en zeker ook gemakkelijk te begrijpen. Wie dus geestelijk vooruit wil komen, die ontwake!
Slapend kan hij zijn weg naar het Licht van de Waarheid nooit gaan! Evenmin met een blinddoek of een sluier voor de ogen.
Ziende wil de Schepper zijn mensen in de schepping hebben. Ziende zijn betekent echter wetend! En bij het weten past geen blind geloof. Alleen traagheid, luiheid van denken ligt daarin, geen grootheid!
Het voorrecht om te kunnen denken brengt voor de mens ook de plicht met zich mee om te toetsen!
Om dit alles te ontlopen, heeft men uit gemakzucht de grote Schepper eenvoudig zo verkleind, dat men daden van willekeur van Hem verwacht als bewijs van zijn Almacht.
Wie ook maar enigszins wil nadenken, moet daarin wederom een grote fout ontdekken. Een daad van willekeur veronderstelt de mogelijkheid om bestaande natuurwetten te veranderen. Waar dit echter kan plaatsvinden, daar ontbreekt volmaaktheid. Want waar volmaaktheid is, is geen verandering mogelijk. Derhalve wordt ten onrechte door een groot deel van de mensheid Gods Almacht zodanig voorgesteld, dat deze voor iemand die dieper nadenkt als een bewijs van onvolmaaktheid zou moeten gelden. En daarin is de wortel van veel kwaad gelegen.
Geef God de eer van de volmaaktheid! Dan vindt u daarin de sleutel tot de onopgeloste raadsels van al het zijn. –
De ernstig zoekenden zover te brengen, zal mijn streven zijn. Het zal een verademing zijn voor de kringen van alle waarheidszoekers. Zij zullen tenslotte blij ontdekken, dat er in het gehele wereldgebeuren geen geheim, geen leemte is. En dan … zien zij de weg die omhoog leidt duidelijk voor zich. Zij hoeven deze slechts te gaan. –
Mystiek heeft geen enkel bestaansrecht in de gehele schepping! Er is daarin voor haar geen plaats, want duidelijk en zonder leemten moet alles voor de mensengeest liggen, tot aan zijn oorsprong toe. Alleen wat dan daarboven is, zal voor iedere mensengeest een heilig geheim moeten blijven. Daarom zal het goddelijke ook nooit door hem worden begrepen. Met de beste wil en het grootste weten niet. In dit onvermogen al het goddelijke te begrijpen is voor de mens echter het natuurlijkste gebeuren gelegen dat men zich kan voorstellen, want zoals bekend, is niets in staat boven de samenstelling van zijn oorsprong uit te gaan. Ook niet de geest van de mens! Een andersgeaarde samenstelling betekent steeds een grens. En het goddelijke is van een geheel andere hoedanigheid dan het geestelijke, waar de mens uit voortkomt.*
Het dier bijvoorbeeld kan ook bij de meest volledige ontwikkeling van zijn ziel nooit tot mens worden. Uit zijn ‘wesenhafte’ geaardheid kan onder geen enkele voorwaarde het geestelijke opbloeien, waaruit de mensengeest voortkomt. In de samenstelling van al het ‘wesenhafte’ ontbreekt de basis-geaardheid van het geestelijke. De mens echter, die uit het geestelijke deel van de schepping is voortgekomen, kan op zijn beurt ook nooit goddelijk worden, daar het geestelijke de geaardheid van het goddelijke niet bezit. De mensengeest kan zich wel ontwikkelen tot de hoogste graad van volmaaktheid, maar zal desondanks altijd geestelijk moeten blijven. Hij kan niet boven zichzelf uit in het goddelijke komen. De andere hoedanigheid vormt ook hier op natuurlijke wijze de nooit te overbruggen begrenzing naar boven toe. Het stoffelijke telt hierbij in het geheel niet mee, aangezien dit geen eigen leven in zich draagt maar als omhulsel dient, in beweging gebracht en gevormd door het geestelijke en door het ‘wesenhafte’.
Het geweldige gebied van de geest loopt door de gehele schepping heen. De mens kan, zal en moet deze daarom volledig leren kennen en begrijpen! En door zijn weten zal hij daarin heersen. Heersen echter, zelfs het strengste, betekent juist opgevat, alleen dienen! –
Nergens in de gehele schepping, tot boven in het hoogste geestelijke, wordt van het natuurlijke gebeuren afgeweken! Dit feit alleen al maakt toch voor iedereen alles veel vertrouwder. De ongezonde en heimelijke schroom, het zich willen verstoppen voor verschillende, voorlopig nog onbekende dingen, verdwijnt daarbij vanzelf. Met de natuurlijkheid trekt een frisse luchtstroom door de zwoele wereld van duistere hersenspinsels van diegenen, die graag willen dat men over hen spreekt. Hun ziekelijk-fantastische voortbrengsels, schrikaanjagend voor de zwakken, de spot opwekkend van de sterken, doen belachelijk en kinderachtig onnozel aan voor hem die de dingen duidelijk begint te zien, wiens blik tenslotte fris en blij de prachtige natuurlijkheid van het gehele gebeuren omvat, dat zich altijd slechts volgens eenvoudige, rechte lijnen beweegt, die duidelijk te herkennen zijn.
Overal voltrekt het zich op dezelfde wijze, in de strengste wetmatigheid en orde. En dat vergemakkelijkt voor elke zoekende het grote en vrije overzicht tot aan zijn eigenlijke uitgangspunt!
Hij heeft daarvoor geen moeizaam onderzoek nodig en geen fantasie. De hoofdzaak is, dat hij zich afzijdig houdt van allen, die in verward geheimzinnig-doen hun gebrekkige en beperkte weten groter willen laten lijken.
Alles ligt zo eenvoudig voor de mensen, dat deze dikwijls juist door de eenvoud niet tot inzicht komen, omdat zij bij voorbaat aannemen, dat het grote werk van de schepping zoveel moeilijker en ingewikkelder zou moeten zijn.
Daarover struikelen duizenden met het beste willen, zij richten hun ogen zoekend ver omhoog en hebben er geen vermoeden van, dat zij alleen maar gewoon en zonder inspanning voor zich en om zich heen hoeven te kijken. Zij zullen daarbij zien, dat zij door hun leven op aarde al op de goede weg zijn en alleen maar rustig verder hoeven te gaan! Zonder haast en zonder inspanning, maar met open blik, vrij en onbelemmerd! De mens moet eindelijk leren, dat ware grootheid alleen gelegen is in het meest eenvoudige en natuurlijke gebeuren. Dat grootheid deze eenvoud vereist.
Zo is het in de schepping, zo ook bij hemzelf, die tot de schepping behoort als een deel ervan!
Alleen eenvoudig denken en aanvoelen kan hem duidelijkheid geven! Zo eenvoudig als het nog bij kinderen is! Rustig nadenken zal hem doen inzien, dat in het begripsvermogen eenvoud identiek is aan duidelijkheid en ook aan natuurlijkheid! Het één is zonder het ander zelfs ondenkbaar. Het is een drieklank, die één begrip uitdrukt! Wie dit tot de grondslag van zijn zoeken maakt, zal spoedig het mistige verwarde doorbreken. Al het kunstmatig opgeschroefde schrompelt daarbij tot niets ineen.
De mens komt tot het inzicht, dat nergens het natuurlijke gebeuren mag worden uitgeschakeld, dat dit op geen enkele plaats onderbroken is! En daarin openbaart zich ook de grootheid van God! Het onveranderlijke levende van de zelfwerkzame scheppende Wil! Want de natuurwetten zijn de ijzeren wetten van God, die voor alle mensen voortdurend zichtbaar zijn, nadrukkelijk tot hen sprekend, van de grootheid van de Schepper getuigend, van een onwrikbare wetmatigheid zonder uitzondering! Zonder uitzondering! Want uit de zaadkorrel van haver kan alleen weer haver groeien, uit tarwe eveneens alleen tarwe, enzovoort.
Zo is het ook in die eerste schepping, die als het eigen werk van de Schepper diens volmaaktheid het meest nabijkomt. Daar zijn de grondwetten zo verankerd, dat zij, gedreven door de levende stuwkracht van de Wil, het ontstaan van de verdere schepping
uiteindelijk naar beneden tot aan deze hemellichamen toe, volgens een volkomen natuurlijke ontwikkeling tot gevolg moesten hebben. Alleen grover wordend, naarmate de schepping zich in haar verdere ontwikkeling meer van de volmaaktheid van de oorsprong verwijdert. –
Laten wij de schepping eerst eens nader beschouwen.
Stelt u zich voor, dat er in al het leven in de schepping slechts twee geaard-heden bestaan, ongeacht in welk deel het zich bevindt. De ene geaardheid is het zich-bewuste, de andere het zich-onbewuste. Het is van het grootste belang op het verschil tussen deze twee geaardheden te letten! Het hangt samen met de ‘oorsprong van de mens’. Het verschillend zijn geeft ook de aansporing tot de verdere ontwikkeling, tot de ogenschijnlijke strijd. Het onbewuste is de basis van al het bewuste, maar in zijn samenstelling van precies dezelfde geaardheid. Bewust worden is vooruitgang en ontwikkeling voor het onbewuste, dat door het samenzijn met het bewuste voortdurend wordt aangespoord ook zo bewust te worden.
De eerste schepping zelf heeft achtereenvolgens, zich naar beneden toe ontwikkelend, drie grote hoofdafsplitsingen doen ontstaan: de bovenste en hoogste is het geestelijke, de oerschepping, waarop het dichter en daarmee ook zwaarder wordende ‘wesenhafte’ aansluit. Tenslotte volgt nog als onderste en vanwege zijn grootste dichtheid zwaarste, het grote rijk van het stoffelijke, dat langzamerhand, zich uit de oerschepping losmakend, omlaag zonk! Daardoor bleef tenslotte als bovenste alleen het oergeestelijke over, omdat het door zijn reine geaardheid het lichtste en stralendste deel is. Het is het veelgenoemde Paradijs, de kroon van de gehele schepping.
Met het omlaagzinken van wat dichter wordt komen wij al in aanraking met de wet van de zwaarte, die niet alleen in het stoffelijke verankerd is, maar in de gehele schepping werkzaam is, te beginnen bij het zogenaamde Paradijs tot beneden bij ons aan toe.
De wet van de zwaarte is van zo doorslaggevende betekenis, dat ieder mens zich deze goed zou moeten inprenten, want hij is de voornaamste hefboom in het hele wordingsproces en de ontwikkelingsgang van de mensengeest.
Ik zei al, dat deze zwaarte niet alleen voor aardse omstandigheden geldt, maar ook op dezelfde wijze in die delen van de schepping werkt, die aardemensen niet meer kunnen zien en daarom eenvoudig het generzijdse noemen.
Ter wille van een beter begrip moet ik het stoffelijke nog in twee afdelingen scheiden. In hetfijnstoffelijke en het grofstoffelijke. Het fijnstoffelijke is dat stoffelijke, dat voor het aardse oog niet zichtbaar kan worden door zijn andere geaardheid. En toch is het nog stoffelijk.
Het zogenaamde ‘generzijdse’ mag men niet verwisselen met het vurig verbeide Paradijs, dat zuiver geestelijk is. Onder geestelijk moet niet zoiets als ‘de gedachtenwereld’ worden verstaan, maar geestelijk is een geaardheid, zoals ook ‘wesenhaft’ en stoffelijk een geaardheid zijn. Men noemt dus nu dit fijnstoffelijke eenvoudig het generzijdse, omdat het aan gene zijde van het aardse gezichtsvermogen ligt. Het grofstoffelijke echter is het dezerzijdse, al het aardse, dat voor onze grofstoffelijke ogen door de gelijkgeaardheid zichtbaar wordt.
De mens zou zich moeten afwennen, de voor hem onzichtbare dingen ook als onbegrijpelijk, onnatuurlijk te beschouwen. Alles is natuurlijk, zelfs het zogenaamde generzijdse en het daarvan nog zeer ver verwijderde Paradijs.
Zoals nu hier ons grofstoffelijke lichaam gevoelig is voor zijn omgeving van gelijke geaardheid, die het daardoor kan zien, horen en voelen, precies zo is het in de delen van de schepping, waarvan de geaardheid niet overeenkomt met de onze. De fijnstoffelijke mens in het zogenaamde generzijdse voelt, hoort en ziet alleen zijn gelijksoortige fijnstoffelijke omgeving, de hogere geestelijke mens kan wederom alleen zijn geestelijke omgeving voelen.
Zo komt het voor, dat menig aardebewoner nu en dan ook al met zijn fijnstoffelijke lichaam, dat hij immers in zich draagt, het fijnstoffelijke ziet en hoort, voordat de scheiding van het grofstoffelijke aardse lichaam door het afsterven ervan plaatsvindt. Daarin is in het geheel niets onnatuurlijks.
Naast de wet van de zwaarte staat nog, daarmee samenwerkend, de niet minder belangrijke wet van de gelijkgeaardheid.
Ik bracht deze al ter sprake door te zeggen, dat een geaardheid altijd alleen de gelijke geaardheid kan waarnemen. De spreekwoorden: ‘soort zoekt soort’ en ‘de appel valt niet ver van de boom’ lijken door deze oer-wet te zijn ingegeven. Hij komt naast de wet van de zwaarte in de gehele schepping voor.
Er bestaat in de schepping nog een derde oerwet, naast de twee al genoemde: de wet van de wisselwerking. Deze heeft tot gevolg, dat de mens moet oogsten wat hij eens zaaide, onvoorwaardelijk. Hij kan geen tarwe oogsten als hij rogge zaait, geen klaver wanneer hij distels uitstrooit. Precies zo is het in de fijnstoffelijke wereld. Hij zal uiteindelijk geen goedheid kunnen oogsten wanneer hij haat voelde, geen vreugde waar hij afgunst in zich voedde!
Deze drie grondwetten vormen de hoekstenen van de goddelijke Wil! Zij zijn het geheel alleen, die zelfwerkend voor een mensengeest loon of straf bewerkstelligen, met onverbiddelijke rechtvaardigheid. Zo onbeïnvloedbaar en in de prachtigste, fijnste gradaties, dat in het reusachtige wereldgebeuren de gedachte aan de kleinste onrechtvaardigheid onmogelijk wordt.
De werking van deze eenvoudige wetten brengt elke mensengeest precies daarheen, waar hij volgens zijn innerlijke instelling ook thuishoort. Een vergissing is daarbij onmogelijk, omdat de uitwerking van deze wetten uitsluitend door de diepste innerlijke toestand van de mens in beweging gebracht kan worden, maar in ieder geval ook beslist in beweging gebracht wórdt! Deze uitwerking heeft dus om in werking te treden als hefboom de in de mens aanwezige geestelijke kracht van zijn aanvoelen nodig! Al het andere legt daarbij geen gewicht in de schaal. Om die reden is alleen het werkelijke willen, hetaanvoelen van de mens, beslissend voor wat zich voor hem ontwikkelt in de voor hem onzichtbare wereld, die hij na zijn aardse dood moet binnentreden.
Dan helpt het niets, zich iets voor te spiegelen of zichzelf te bedriegen. Hij moet dan onvoorwaardelijk datgene oogsten, wat hij door zijn willen zaaide! Zelfs precies al naar de sterkte of zwakte van zijn willen zet dat ook meer of minder de gelijkgeaarde stromingen van de andere werelden in beweging, om het even of het nu haat is, afgunst of de liefde. Een geheel na-tuurlijk gebeuren, van de grootste eenvoud en toch met de onverbiddelijke werking van ijzeren gerechtigheid!
Wie zich ernstig in deze gang van zaken in het generzijdse probeert te verdiepen, zal inzien welk een onaantastbare rechtvaardigheid in deze zelfstandige werking ligt, ziet daarin reeds de onvoorstelbare grootheid van God. Deze hoeft niet in te grijpen, nadat Hij zijn Wil als wetten, dus volmaakt, in de schepping heeft gelegd.
Wie omhoog gaande weer in het rijk van de geest terugkomt, die is gereinigd, want hij moest voordien door de zelfwerkende molens van de goddelijke Wil gaan. Een andere weg voert niet naar Gods nabijheid. En hoe de molens de mensengeest bewerken, is afhankelijk van diens voorafgaande innerlijke leven, van diens eigen willen. Ze kunnen hem weldadig naar de lichte hoogte dragen, hem echter ook onder grote kwellingen omlaag trekken in de nacht der verschrikking, ja zelfs meesleuren naar de volledige vernietiging. –
Men moet bedenken, dat bij de aardse geboorte de voor incarnatie rijp geworden mensengeest al een fijnstoffelijk omhulsel of lichaam draagt, dat hij gedurende zijn tocht door het fijnstoffelijke nodig had. Dit behoudt hij ook tijdens zijn leven op aarde, als verbindingsschakel met het aardse lichaam. Nu doet de wet van de zwaarte zijn sterkste werking steeds gelden op het dichtste en grofste deel. Tijdens het leven op aarde dus op het aardse lichaam. Valt dit echter bij het sterven weg, dan komt het fijnstoffelijke lichaam weer vrij en is het vanaf dat ogenblik onbeschermd, als het nu grofste deel, aan deze wet van de zwaarte onderworpen.
Wanneer gezegd wordt, dat de geest zijn eigen lichaam vormt, dan is dit waar wat het fijnstoffelijke lichaam betreft. De innerlijke gesteldheid van de mens, zijn wensen en zijn werkelijke willen leggen daarvoor de grondslag.
Het willen heeft de kracht in zich om het fijnstoffelijke te vormen. Door de neiging tot het lagere of tot zuiver aardse genietingen wordt het fijnstoffelijke lichaam dicht en daardoor zwaar en donker, omdat de vervulling van zulke wensen in het grofstoffelijke is gelegen.
De mens bindt zich daarmee zelf aan het grove, aardse. Zijn wensen trekt het fijnstoffelijke lichaam mee, dat wil zeggen, het wordt zo dicht gevormd, dat het dit aardse in zijn hoedanigheid zoveel mogelijk benadert, daar alleen dit hem het perspectief biedt, aan aardse genietingen of hartstochten te kunnen deelnemen, zodra het grofstoffelijke aardse lichaam is weggevallen. Wie daarnaar streeft, moet omlaagzinken door de wet van de zwaarte.
Anders is het echter bij de mensen van wie het streven voornamelijk op het hogere en edelere is gericht. Hier bewerkstelligt het willen vanzelf dat het fijnstoffelijke lichaam lichter en daarmee ook stralender wordt, opdat het in de nabijheid van al datgene kan komen, wat voor deze mensen het doel van hun ernstige wensen is! Dus naar de reinheid van de lichte hoogte.
Met andere woorden uitgedrukt: het fijnstoffelijke lichaam in de aarde-mens wordt door het doel dat de mensengeest zich op dat ogenblik stelt, gelijktijdig zodanig toegerust, dat het na het afsterven van het aardse lichaam dit doel tegemoet kan streven, om het even van welke aard het is. Hier vormt de geest werkelijk het eigen lichaam, want zijn willen heeft, omdat het geestelijk is, ook de kracht in zich om zich het fijnstoffelijke ten nutte te maken. Aan dit natuurlijke gebeuren kan hij zich nooit onttrekken. Het vindt plaats bij ieder willen, ongeacht of hem dit nu aangenaam is of niet. En deze vormen blijven hem aankleven, zolang hij deze door zijn willen en innerlijk aanvoelen voedt. Ze helpen hem omhoog of houden hem tegen, al naar hun aard, die aan de wet van de zwaarte is onderworpen.
Maar verandert hij zijn willen en innerlijk aanvoelen, dan ontstaan daarmee direct nieuwe vormen, terwijl de oude, die door de verandering van het willen niet meer worden gevoed, moeten afsterven en vergaan. Daarmee verandert de mens ook zijn lot.
Zodra nu de aardse verankering door het afsterven van het aardse lichaam wegvalt, zinkt het daardoor losgemaakte fijnstoffelijke lichaam omlaag of zweeft als kurk omhoog in het fijnstoffelijke, dat men het generzijdse noemt. Het wordt door de wet van de zwaarte precies op die plaats vastgehouden, die dezelfde zwaarte heeft als hijzelf; want dan kan hij niet verder, noch omhoog, noch omlaag. Hier treft hij natuurlijkerwijze ook al het gelijkgeaarde of alle gelijkgezinden aan, want gelijke aard vereist gelijke zwaarte en gelijke zwaarte vanzelfsprekend gelijke aard. Zo als hij nu zelf was, zal hij onder gelijkgezinden moeten lijden of gelukkig kunnen zijn, totdat hij innerlijk opnieuw verandert en met hem zijn fijnstoffelijke lichaam, dat hem onder invloed van zijn veranderde gewicht verder omhoog of omlaag moet voeren.
De mens kan zich daarom noch beklagen, noch hoeft hij te danken; want wordt hij opgeheven naar het Licht toe, dan is het zijn eigen gesteldheid, die tot gevolg heeft dat hij omhoog geheven moet worden, stort hij omlaag in het duister, dan is het wederom zijn eigen toestand, die hem daartoe dwingt.
Maar ieder mens heeft reden de Schepper hoog te prijzen wegens de volmaaktheid, die in de werking van deze drie wetten ligt. De mensengeest wordt daardoor onvoorwaardelijk tot onbeperkt heer en meester over zijn eigen lot gemaakt! Omdat zijn werkelijke willen, dus zijn ware innerlijke toestand, hem omhoog moet heffen of laten zinken.
Wanneer u probeert zich deze werking goed voor te stellen, afzonderlijk en in elkaar grijpend, dan bemerkt u, dat daarin haarfijn afgewogen voor een ieder loon en straf, genade of ook verdoemenis ligt, al naar het met hemzelf gesteld is. Het is het meest eenvoudige gebeuren en toont de reddingslijn bij ieder ernstig willen van een mens, die nooit kan breken, nooit kan falen. Het is de grootheid van zulk een eenvoud die hem, die tot dit inzicht komt, met geweld op de knieën dwingt voor de machtige verhevenheid van de Schepper!
Bij ieder gebeuren, bij al mijn uiteenzettingen, stuiten wij helder en duidelijk steeds weer op de werking van deze eenvoudige wetten, waarvan ik het prachtige in elkaar grijpende werken nog diepgaander moet beschrijven.
Kent de mens dit in elkaar grijpende werken, dan heeft hij daarmee ook de ladder naar het lichte rijk van de geest, naar het Paradijs. Maar hij ziet dan ook de weg omlaag naar het duister!
Hij hoeft niet eens zelf te lopen, maar wordt door het zelfwerkzame raderwerk ver omhoog geheven of omlaag getrokken, al naar hij dit raderwerk door zijn innerlijke leven voor zichzelf instelt.
Aan zijn eigen beslissing blijft het steeds voorbehouden, langs welke weg hij wil worden gevoerd.
De mens mag zich daarbij door spotters niet van de wijs laten brengen.
Twijfel en spot zijn welbeschouwd niets anders dan uitgesproken wensen. Iedere twijfelaar spreekt, voor zichzelf geheel onbewust, datgene uit waarnaar hij verlangt, en geeft daarmee zijn innerlijk aan de onderzoekende blik prijs. Want ook in de ontkenning, in de afweer, liggen gemakkelijk herkenbaar diepverborgen wensen. Welk een verwaarlozing, welk een armoede zich daarbij soms openbaart, is treurig of ook stuitend, omdat een mens zichzelf juist daardoor innerlijk niet zelden dieper omlaaghaalt dan elk onwetend dier. Men zou medelijden met deze mensen moeten hebben, maar zonder inschikkelijk te zijn, want inschikkelijkheid zou immers betekenen, dat men traagheid verkiest boven ernstig toetsen. Wie ernstig zoekt, moet met inschikkelijkheid spaarzaam worden, anders schaadt hij uiteindelijk zichzelf, zonder de ander daarmee te helpen.
Juichend zal hij echter bij groeiend inzicht voor het wonder van deze schepping staan, om zich bewust omhoog te laten heffen naar de lichte hoogten, die hij zijn vaderland mag noemen!
* Hierover worden in latere voordrachten nog verdergaande indelingen gegeven.