De wereld! Wanneer de mens dit woord gebruikt, spreekt hij het vaak gedachteloos uit, zonder er zich een voorstelling van te maken hoe datgene wat hij de wereld noemt eigenlijk is.
Velen echter die zich daarbij iets bepaalds trachten voor te stellen, zien in gedachten talloze hemellichamen van de meest uiteenlopende gesteldheid en grootte, in zonnestelsels geordend, in het heelal hun baan volgen. Zij weten, dat er steeds nieuwe en steeds meer hemellichamen te zien zijn, naarmate er sterker vergrotende en verder reikende instrumenten worden gemaakt. In het algemeen stelt de mens zich dan tevreden met het woord ‘oneindigheid’, waarmee bij hem de dwaling van een verkeerde voorstelling begint.
De wereld is niet oneindig. Zij is de stoffelijke schepping, dus het werk van de Schepper. Dit werk staat, zoals ieder werk, naast de Schepper en is als zodanig begrensd.
Zogenaamd ver gevorderde mensen zijn er vaak trots op tot het inzicht te zijn gekomen, dat God in de gehele schepping aanwezig is, in iedere bloem, iedere steen; dat de stuwende natuurkrachten God zijn, dus al het onnaspeurlijke, dat waarneembaar is, maar dat niet werkelijk doorgrond kan worden. Een voortdurend werkzame oerkracht, de eeuwig zichzelf opnieuw ontwikkelende krachtbron, het ‘wesenlose’ Oerlicht. Zij wanen zich geweldig ver gevorderd in het bewustzijn God overal aan te treffen, hem overal te ontmoeten als een alles doordringende stuwkracht, altijd gericht op het ene doel van de verdere ontwikkeling tot volmaaktheid.
Dat is echter slechts in zekere zin juist. Wij komen in de hele schepping alleen zijn Wil tegen, en daarmee zijn Geest, zijn Kracht. Hij zelf staat ver boven de schepping.
De stoffelijke schepping werd reeds bij haar ontstaan aan de onveranderlijke wetten van worden en vergaan gebonden; want dat wat wij natuurwetten noemen is Gods Scheppingswil, die in zijn uitwerking voortdurend werelden vormt en ontbindt. Deze Scheppingswil is één en dezelfde in de hele schepping, waartoe de fijnstoffelijke en de grofstoffelijke wereld als één geheel behoren.
De onvoorwaardelijke en onveranderlijke uniformiteit van de oerwetten, dus van de oerwil, brengt met zich mee, dat zich bij de kleinste gebeurtenis op de grofstoffelijke aarde steeds precies hetzelfde afspeelt als bij ieder gebeuren, dus ook bij de meest geweldige verschijnselen in de hele schepping, alsook bij het scheppen zelf.
De strenge vorm van de oerwil is natuurlijk en eenvoudig. We vinden deze vorm, eenmaal herkend, in alles gemakkelijk terug. Het ingewikkelde en onbegrijpelijke van sommige gebeurtenissen ligt alleen in het veelvoudig in elkaar grijpen van de door het uiteenlopende willen van de mensen gevormde om- en zijwegen.
Het werk van God, de wereld, is dus als schepping onderworpen aan de zichzelf in alles gelijkblijvende en volmaakte goddelijke wetten, is ook daaruit ontstaan en derhalve begrensd.
De kunstenaar is bijvoorbeeld ook in zijn werk aanwezig, gaat daarin op en staat er toch persoonlijk naast. Het werk is begrensd en vergankelijk, het kunnen van de kunstenaar daarom nog niet. De kunstenaar, dus de schepper van het werk, kan zijn werk, waarin zijn willen besloten ligt, vernietigen, zonder dat hij zelf daardoor geraakt wordt. Hij zal desondanks altijd nog de kunstenaar blijven.
Wij herkennen en vinden de kunstenaar in zijn werk, en wij raken met hem vertrouwd zonder dat wij hem persoonlijk hoeven te hebben gezien. Wij hebben zijn werken, zijn willen ligt daarin besloten en werkt op ons in, hij treedt ons daarin tegemoet en kan toch zelf, ver van ons verwijderd, zijn eigen bestaan leiden.
De scheppende kunstenaar en zijn werk zijn een zwakke afspiegeling van de verhouding van de schepping tot de Schepper.
Eeuwig en zonder einde, dus oneindig, is alleen de kringloop van de schepping in het voortdurend ontstaan, vergaan en zich opnieuw vormen.
In dit gebeuren gaan ook alle openbaringen en beloften in vervulling. Uiteindelijk zal daarin voor de aarde ook het ‘Jongste Gericht’ in vervulling gaan!
Het jongste, dat wil zeggen het laatste Gericht komt eens voor ieder stoffelijk hemellichaam, maar dit gebeurt niet gelijktijdig in de hele schepping.
Het is een noodzakelijk proces in elk deel van de schepping dat op een bepaald moment in zijn kringloop het punt bereikt waarop zijn ontbinding moet beginnen, om zich op zijn verdere weg weer opnieuw te kunnen vormen.
Met deze eeuwige kringloop wordt niet de loop van de aarde en andere sterren om hun zonnen bedoeld, maar de grote, veel meer omvattende baan, die op hun beurt alle zonnestelsels moeten volgen, terwijl zij ieder in zichzelf bovendien nog hun eigen bewegingen uitvoeren.
Het punt waarop de ontbinding van ieder hemellichaam moet beginnen, is nauwkeurig bepaald, ook weer als logisch gevolg van natuurlijke wetten. Een heel bepaald punt, waar het proces van de ontbinding zich moet ontwikkelen, onafhankelijk van de toestand van het betreffende hemellichaam en zijn bewoners.
Onstuitbaar drijft de kringloop ieder hemellichaam daarheen, zonder uitstel zal het uur van de ontbinding in vervulling gaan, die, zoals bij alles in de schepping, in werkelijkheid slechts een verandering betekent, de gelegenheid tot een verdere ontwikkeling. Dan is het beslissende uur voor ieder mens gekomen. Óf hij wordt omhoog geheven naar het Licht, wanneer hij naar het geestelijke streeft, óf hij blijft geketend aan het stoffelijke, waaraan hij hangt wanneer hij uit overtuiging alleen het materiële als belangrijk beschouwt.
In dat geval kan hij zich als wetmatig gevolg van zijn eigen willen niet uit het stoffelijke verheffen en wordt daarmee dan op het laatste deel van de weg in de ontbinding meegetrokken. Dat is dan de geestelijke dood! Dat betekent hetzelfde als uitgewist worden uit het Boek des Levens.
Dit op zichzelf geheel natuurlijke proces wordt ook met de eeuwige verdoemenis aangeduid, omdat degene die zo meegetrokken wordt in de ontbinding ‘moet ophouden persoonlijk te zijn’. Het vreselijkste wat de mens kan treffen. Hij geldt dan als ‘afgekeurde steen’, die voor een geestelijke opbouw niet te gebruiken is en daarom vermalen moet worden.
Deze scheiding van geest en materie, die eveneens ten gevolge van volkomen natuurlijke processen en wetten plaatsvindt, is het zogenaamde ‘Jongste Gericht’, dat met grote omwentelingen en veranderingen gepaard gaat.
Dat deze ontbinding niet op één aardse dag plaatsvindt, zal iedereen wel gemakkelijk kunnen begrijpen, want in het wereldgebeuren zijn duizend jaren als één dag.
Maar wij bevinden ons midden in het beginstadium van dit tijdperk. De aarde bereikt nu het punt, waarop zij afwijkt van de tot dusver gevolgde baan, hetgeen ook grofstoffelijk duidelijk voelbaar zal zijn. Dan begint de scheiding onder alle mensen scherper te worden, die in de laatste tijd al werd voorbereid, maar zich tot dusver alleen in ‘meningen en overtuigingen’ openbaarde.
Ieder uur van een leven op aarde is daarom kostbaar, meer dan ooit. Wie ernstig zoekt en wil leren, die rukke zich uit alle macht los van lage gedachten, die hem aan het aardse moeten ketenen. Hij loopt anders gevaar aan het stoffelijke te blijven hangen en samen hiermee naar de volledige ontbinding te worden toegetrokken.
Naar het Licht strevenden daarentegen worden langzamerhand van het stoffelijke losgemaakt en ten slotte omhoog geheven naar het vaderland van al het geestelijke.
Dan is de scheiding tussen Licht en duister definitief volbracht en het Gericht vervuld.
‘De wereld’, dus de hele schepping, gaat daarbij niet te gronde, maar de hemellichamen worden pas dan in het ontbindingsproces getrokken, zodra hun loop het punt bereikt, waarop de ontbinding en daarmee ook de daaraan voorafgaande scheiding moet beginnen.
De voltrekking komt tot stand door de natuurlijke uitwerking van de goddelijke wetten, die vanaf het allereerste begin van de schepping daarin aanwezig waren, die zelf de schepping deden ontstaan en ook nu en in de toekomst onwrikbaar de Wil van de Schepper dragen. Het is een eeuwige kringloop van voortdurend scheppen, zaaien, rijpen, oogsten en vergaan, om door het wisselen van de verbindingen nieuw gesterkt weer andere vormen aan te nemen, die een volgende kringloop tegemoet snellen.
Bij deze kringloop van de schepping kan men zich een reusachtige trechter of een reusachtig gat voorstellen, waaruit in een niet te stuiten stroom voortdurend oerzaad naar buiten stroomt, dat in cirkelende bewegingen naar nieuwe verbinding en ontwikkeling toestreeft. Precies zoals de wetenschap dat al kent en op juiste wijze heeft vastgelegd.
Dichte nevels vormen zich door wrijving en aaneensluiting, en hieruit ontstaan weer hemellichamen, die zich volgens onwrikbare wetten met vaste logica tot zonnestelsels groeperen en, naast de omloop binnen hun eigen stelsel, als afgeronde eenheden de grote kringloop moeten volgen, die de eeuwige is.
Zoals bij het voor het aardse oog zichtbare gebeuren uit het zaad de ontwikkeling, het vormen, de rijping en de oogst of het vergaan volgt, hetgeen een omzetting, een ontbinden om tot verdere ontwikkeling te komen ten gevolge heeft, zowel bij planten als bij dieren- en mensenlichamen, precies zo is het ook in het grote wereldgebeuren. De grofstoffelijk zichtbare hemellichamen, die een veel grotere fijnstoffelijke, dus voor het aardse oog niet zichtbare omgeving met zich meevoeren, zijn in hun eeuwige omloop aan hetzelfde gebeuren onderworpen, omdat daar dezelfde wetten werken.
Het bestaan van het oerzaad kan zelfs de meest fanatieke twijfelaar niet ontkennen, en toch kan dit nooit door het aardse oog gezien worden, omdat het van een ander soort stoffelijkheid is, tot het ‘generzijdse’ behoort. Laten wij het gerust weer fijnstoffelijk noemen.
Het is ook niet moeilijk te begrijpen, dat natuurlijkerwijs de wereld die het eerst daaruit ontstaat eveneens fijnstoffelijk en niet met het aardse oog waarneembaar is. Pas de dan later daaruit weer voortkomende grofste neerslag vormt, afhankelijk van de fijnstoffelijke wereld, gaandeweg de grofstoffelijke wereld met zijn grofstoffelijke lichamen, en dat pas is vanaf het kleinste begin met de aardse ogen en alle daarbij te gebruiken grofstoffelijke hulpmiddelen waar te nemen.
Niet anders is het met de omhulling van de eigenlijke mens in zijn geestelijke geaardheid, waarover ik later nog zal spreken. Op zijn tochten door de verschillend geaarde werelden moet zijn kleed, mantel, schil, lichaam of werktuig, hoe men de omhulling ook wil noemen, steeds van dezelfde soort materie zijn als de omgeving waar hij op dat moment binnentreedt, om zich daarvan te bedienen als bescherming en als noodzakelijk hulpmiddel, wil hij de mogelijkheid hebben rechtstreeks daarin werkzaam te zijn.
Daar nu de grofstoffelijke wereld afhankelijk is van de fijnstoffelijke wereld, volgt daaruit ook, dat al het gebeuren in de grofstoffelijke wereld zijn terugwerking heeft op de fijnstoffelijke wereld.
Deze grote fijnstoffelijke omgeving is eveneens uit het oerzaad geschapen, maakt de eeuwige kringloop mee en wordt ten slotte door de zuiging ook mee de achterzijde van de reeds genoemde reusachtige trechter binnengedreven, waar de ontbinding plaatsvindt, om aan de andere kant weer als oerzaad uitgestoten te worden voor een nieuwe kringloop.
Zoals bij de werking van het hart en de bloedsomloop, zo is de trechter als het hart van de stoffelijke schepping. Het ontbindingsproces treft dus de hele schepping, ook het fijnstoffelijke deel, omdat al het stoffelijke weer in oerzaad uiteenvalt om opnieuw vorm aan te nemen. Nergens is daarbij willekeur te vinden, maar alles ontwikkelt zich vanuit de vanzelfsprekende logica van de oerwetten, die geen andere weg openlaten.
Op een bepaald punt van de grote kringloop komt daarom voor al het geschapene, grof- of fijnstoffelijk, het ogenblik waarop het ontbindingsproces zich vanuit het geschapene zelfstandig voorbereidt en ten slotte aan de dag treedt.
Deze fijnstoffelijke wereld nu is de tijdelijke verblijfplaats van hen die de aarde hebben verlaten, het zogenaamde generzijdse. Dit is nauw met de grofstoffelijke wereld verbonden, die bij haar hoort, er één mee is. Op het ogenblik van zijn overlijden treedt de mens met zijn fijnstoffelijke lichaam, dat hij samen met het grofstoffelijke lichaam draagt, de gelijksoortig fijnstoffelijke omgeving van de grofstoffelijke wereld binnen, terwijl hij het grofstoffelijke lichaam daarop achterlaat.
Deze fijnstoffelijke wereld nu, het generzijdse, tot de schepping behorend, is aan dezelfde wetten van de voortdurende ontwikkeling en ontbinding onderworpen. Met het inzetten van het verval vindt eveneens weer langs geheel natuurlijke weg een scheiding van het geestelijke en het stoffelijke plaats. Al naar de geestelijke toestand van de mens in de grofstoffelijke alsook in de fijnstoffelijke wereld moet de geestelijke mens, het eigenlijke ‘ik’, hetzij naar boven toe bewegen, hetzij aan het stoffelijke geketend blijven.
De ernstige drang naar Waarheid en Licht zal iedereen door zijn daarmee verbonden verandering geestelijk reiner en daardoor lichter maken, zodat deze omstandigheid hem op natuurlijke wijze steeds meer van het dichte stoffelijke moet losmaken en in overeenstemming met zijn reinheid en lichtheid omhoog moet stuwen.
Wie echter alleen aan het stoffelijke gelooft, houdt zichzelf door zijn overtuiging aan het stoffelijke gebonden en blijft daaraan geketend, waardoor hij niet omhooggedreven kan worden. Door zelf gewild besluit van iedere enkeling vindt daarom een scheiding plaats tussen de naar het Licht strevenden en zij die met het duister verbonden zijn, volgens de bestaande natuurlijke wetten van de geestelijke zwaarte.
Hierdoor wordt duidelijk, dat er ook aan de ontwikkelingsmogelijkheid van hen die de aarde hebben verlaten, in het louteringsproces van het zogenaamde generzijdse eens een werkelijk einde komt. Een laatste beslissing! De mensen in beide werelden zijn óf zo ver veredeld, dat zij omhoog geheven kunnen worden naar de gebieden van het Licht, óf zij blijven door hun lage geaardheid volgens hun eigen wil gebonden en worden daardoor ten slotte omlaag geworpen in de ‘eeuwige verdoemenis’, dat wil zeggen, zij worden met het stoffelijke, waarvan zij niet los kunnen komen, meegesleurd naar de ontbinding, maken zelf de ontbinding pijnlijk mee en houden daarmee op persoonlijk te zijn.
Zij zullen als kaf in de wind verstuiven, tot stof vergaan en daarmee worden geschrapt uit het gouden Boek des Levens!
Dit zogenaamde ‘Jongste Gericht’, dat wil zeggen: het laatste gericht, is dus eveneens een proces dat zich door uitwerking van de wetten die de schepping dragen op geheel natuurlijke wijze voltrekt, zodanig, dat het niet anders zou kunnen gaan. De mens ontvangt ook hierbij altijd alleen maar de vruchten van datgene wat hij zelf heeft gewild, wat hij dus door zijn overtuiging teweegbrengt.
Het weten, dat alles wat in de schepping plaatsvindt volgens de strengste logica tot stand komt, dat de leidraad voor het lot van de mensen altijd alleen door henzelf wordt verschaft door hun wensen en willen, en dat de Schepper niet met toeziend oog ingrijpt om te belonen of te straffen, verkleint de grootheid van de Schepper niet, maar kan alleen maar aanleiding geven, zich hem nog veel verhevener voor te stellen.
De grootheid is gelegen in de volmaaktheid van zijn werk, en deze dwingt tot een eerbiedige blik omhoog, omdat de grootste liefde en de onwankelbaarste gerechtigheid zonder onderscheid zowel in het geweldigste als in het kleinste gebeuren moet liggen.
Groot is ook de mens, als zodanig in de schepping geplaatst, als heer over zijn eigen lot! Hij is in staat zich door zijn wil uit het werk omhoog te heffen en daarbij tot grotere ontplooiing ervan bij te dragen; maar ook kan hij het omlaag trekken en erin verstrikt raken, zodat hij niet meer loskomt en samen daarmee de ontbinding tegemoet gaat, hetzij in de grofstoffelijke, hetzij in de fijnstoffelijke wereld.
Ontworstel u daarom aan alle banden van lage gevoelens, want het is hoog tijd! Het uur nadert, waarop de termijn daarvoor is verstreken! Wek in uzelf het innige verlangen naar het reine, ware, edele! –
Ver boven de eeuwige kringloop van de schepping zweeft als een kroon in het midden een ‘Blauw Eiland’, de velden der zaligen, van de gereinigde geesten, die al in de gebieden van het Licht mogen vertoeven! Dit eiland is van de wereld gescheiden. Het maakt de kringloop daarom ook niet mee, maar vormt, ondanks het feit dat het zich hoog boven de rondgaande schepping bevindt, het houvast en het middelpunt van de geestelijke krachten die ervan uitgaan. Het is het eiland dat op zijn hoogste punt de veelgeroemde Stad met de Gouden Straten draagt. Hier is niets meer aan verandering onderworpen. Geen ‘Jongste Gericht’ meer te vrezen. Wie daar kunnen verblijven, zijn in het ‘vaderland’.
Als het laatste op dit Blauwe Eiland, als het allerhoogste, staat daar, onbereikbaar voor de schreden van hen die niet daartoe beroepen zijn, de … Graalsburcht, die in dichtwerken zo veel wordt genoemd!
Met sagen omweven, als innig verlangen van ontelbaar velen, staat hij daar in het Licht van de grootste heerlijkheid en omsluit de heilige schaal van de reine Liefde van de Almachtige, de Graal!
Als hoeders zijn de reinsten der geesten aangesteld. Zij zijn dragers van de goddelijke Liefde in haar reinste vorm, die er wezenlijk anders uitziet dan de mensen op aarde zich haar voorstellen, ofschoon zij deze dagelijks en ieder uur ervaren.
Door openbaringen kwam de verkondiging over de Burcht in vele etappes de lange weg naar omlaag vanaf het Blauwe Eiland door de fijnstoffelijke wereld, totdat zij ten slotte door enkele dichters, die haar door verdiepte ingeving ontvingen, ook tot de mensen van de grofstoffelijke aarde doordrong. Van trede tot trede verder naar omlaag doorgegeven, onderging de Waarheid daarbij ongewild ook verschillende misvormingen, zodat de uiteindelijke weergave slechts een meermaals vertroebelde afspiegeling kon zijn, die tot vele dwalingen aanleiding gaf.
Stijgen nu uit een deel van de grote schepping, in grote nood, leed en vurige smeekbeden op naar de Schepper, dan wordt een dienaar van de Schaal uitgezonden om als een drager van deze Liefde helpend in te grijpen in de geestelijke nood. Wat slechts als sage en legende in het scheppingswerk zweeft, doet dan levend in de schepping zijn intrede!
Dergelijke zendingen komen echter niet vaak voor. Telkens gaan zij gepaard met ingrijpende veranderingen, grote omwentelingen. Zij die zo gezonden worden, brengen Licht en Waarheid aan de verdwaalden, vrede aan de vertwijfelden, reiken met hun boodschap alle zoekenden de hand, om aan hen nieuwe moed en nieuwe kracht te bieden en hen door alle duisternis heen omhoog te leiden naar het Licht.
Zij komen alleen voor hen die innig naar hulp uit het Licht verlangen, maar niet voor de spotters en eigengereiden.