Van een scherp tegenover elkaar staan van twee wereldbeschouwingen kon tot dusver nog geen sprake zijn. Strijd is dus een slecht gekozen uitdrukking voor hetgeen zich in werkelijkheid afspeelt tussen de verstandsmensen en de ernstige waarheidszoekers.
Alles wat tot dusver plaatsvond, bestond uit eenzijdige aanvallen van de verstandsmensen, die iedere rustige beschouwer opvallend ongegrond en vaak belachelijk moeten voorkomen. Allen die zich zuiver geestelijk hoger trachten te ontwikkelen, wacht bespotting, vijandigheid en zelfs vervolging van de ergste soort, ook wanneer zij stille terughoudendheid bewaren. Er zijn altijd mensen die proberen zulke naar omhoog strevenden met spot of met geweld terug te trekken en neer te halen in de doffe schemertoestand of de huichelarij van de massa.
Velen moesten daarbij tot werkelijke martelaren worden, omdat niet alleen de grote massa, maar daarmee ook de aardse macht aan de zijde van de verstandsmensen stond. Wat deze te bieden hebben, ligt al duidelijk besloten in het woord ‘verstand’. Dat is: vernauwde begrenzing van het begripsvermogen tot het zuiver aardse, dus tot het allergeringste deel van het eigenlijke zijn.
Dat dit niets volmaakts, zelfs in het geheel niets goeds kan brengen aan een mensheid, waarvan het bestaan zich hoofdzakelijk afspeelt in gebieden die de verstandsmensen voor zichzelf afsloten, is gemakkelijk te begrijpen. Vooral wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat juist een heel kort leven op aarde een belangrijk keerpunt voor het gehele zijn moet worden en diep ingrijpende gevolgen in de voor de verstandsmensen volledig onbegrijpelijke andere gebieden met zich meebrengt.
De verantwoordelijkheid van de op zichzelf al diep gezonken verstandsmensen neemt daardoor reusachtige afmetingen aan; deze zal als een zware druk ertoe bijdragen, hen steeds sneller naar hun zelfgekozen eindbestemming te drijven, opdat zij eindelijk de vruchten moeten plukken van datgene, waarvoor zij met vasthoudendheid en aanmatiging gepleit hebben.
Onder verstandsmensen moeten diegenen worden verstaan, die zich onvoorwaardelijk aan hun eigen verstand onderwierpen. Deze geloofden vreemd genoeg al duizenden jaren er zonder meer recht op te hebben, hun beperkte overtuigingen door wet en geweld ook dwingend aan hen te mogen opleggen, die volgens een andere overtuiging wilden leven. Deze volkomen onlogische aanmatiging is wederom alleen maar gelegen in het nauwe begripsvermogen van de verstandsmensen, dat niet tot een hogere vlucht in staat is. Juist de beperking leidt bij hen tot een zogenaamd hoogtepunt van begrijpen, waardoor zulke aanmatigende gedachten in de verbeelding moeten ontstaan, omdat zij geloven werkelijk op het allerhoogste punt te staan. Voor henzelf is dit ook zo, aangezien dan de grens komt die zij niet kunnen overschrijden.
Hun aanvallen op de waarheidszoekers tonen echter door hun dikwijls zo onbegrijpelijke hatelijkheid bij nadere beschouwing duidelijk de achter hen opgeheven zweep van het duister. Zelden is bij deze vijandige bejegeningen ook maar een spoor van eerlijk willen te vinden, dat de vaak ongehoorde manier van optreden enigszins zou kunnen verontschuldigen. In de meeste gevallen is het een blindelings te keer gaan, waaraan iedere werkelijke logica ontbreekt. Men moet deze aanvallen maar eens rustig bekijken. Hoe zelden is er een artikel bij, waarvan de inhoud blijk geeft van een poging om werkelijk zakelijk op de uitspraken of geschriften van een waarheidszoeker in te gaan.
Heel opvallend wordt de inhoudloze minderwaardigheid van de aanvallen altijd juist daardoor zichtbaar, dat deze nooit zuiver zakelijk gesteld zijn! Altijd zijn het bedekte of openlijke bezoedelingen van de persoon van de waarheidszoeker. Dat doet alleen iemand die er zakelijk niets tegenin kan brengen. Een waarheidszoeker of waarheidsbrenger geeft immers niet zichzelf persoonlijk, maar hij brengt datgene wat hij zegt.
Het woord moet getoetst worden, niet de persoon! Dat men steeds eerst de aandacht op de persoon probeert te richten en daarna overweegt of men naar zijn woorden kan luisteren, is een gewoonte van de verstandsmensen. In de nauwe begrenzing van hun begripsvermogen hebben deze zulk een uiterlijk houvast nodig, omdat zij zich aan uiterlijkheden moeten vastklampen om niet in verwarring te raken. Dat is immers juist het holle bouwsel dat zij optrekken, dat voor de mensen ontoereikend is en een grote belemmering om vooruit te komen.
Zouden zij innerlijk een sterk houvast hebben, dan zouden zij eenvoudig de zaken tegen elkaar afwegen en de personen daarbij buiten beschouwing laten. Daartoe zijn zij echter niet in staat. Zij vermijden het ook opzettelijk, omdat zij voelen of ten dele weten, dat zij bij een ordelijk toernooi snel uit het zadel zouden vallen. De vaak gebruikte ironische aanduiding ‘lekenprediker’ of ‘lekenuitleg’ heeft zo iets belachelijk aanmatigends, dat ieder ernstig mens direct aanvoelt: “Hier wordt een schild gebruikt om krampachtig holheid te verbergen. Eigen leegheid achter een goedkoop uithangbord te verstoppen!”
Een botte strategie, die niet lang kan standhouden. Deze heeft tot doel, waarheidszoekers die lastig kunnen worden, in de ogen van de medemensen bij voorbaat op een ‘tweederangs’, zo al niet zelfs op een belachelijk plan te zetten, of hen toch tenminste in de categorie der ‘beunhazen’ onder te brengen, opdat zij niet serieus worden genomen.
Met zulk een werkwijze wil men voorkomen, dat zich ook maar iemand ernstig met de woorden bezighoudt. De aanleiding tot dit optreden is echter niet bezorgdheid dat medemensen door een verkeerde leer worden tegengehouden bij hun innerlijke weg omhoog, maar het is een onbestemde angst om invloed te verliezen en daardoor gedwongen te zijn, zelf dieper door te dringen dan tot dusver en veel te moeten veranderen wat tot nu toe voor onaantastbaar moest doorgaan en gemakkelijk was.
Juist dit telkens weer wijzen op de ‘leken’, dit zonderlinge neerzien op degenen die door hun sterkere, minder beïnvloede innerlijke aanvoeling veel dichter bij de Waarheid staan, die zich niet door starre vormen van het verstand hebben ingemetseld, brengt een zwak punt aan het licht, waarvan de gevaren geen denkend mens kunnen ontgaan. Wie zulke opvattingen huldigt, kan bij voorbaat nooit een onbevooroordeeld leraar en leider zijn, want hij staat daarmee van God en het werken van God veel verder af dan ieder ander.
De kennis van de ontwikkelingen op geloofsgebied met alle dwalingen en fouten brengt de mensen niet dichter bij hun God, evenmin als de verstandelijke uitlegging van de Bijbel of van andere waardevolle geschriften van de verschillende religies.
Verstand is en blijft aan ruimte en tijd, dus aan de aarde gebonden, terwijl de Godheid, en derhalve ook het besef van God en zijn Wil, boven ruimte en tijd en boven al het vergankelijke verheven is en daarom nooit door het nauw begrensde verstand kan worden bevat.
Om deze eenvoudige reden heeft het verstand ook niet de taak om opheldering te brengen over waarden voor de eeuwigheid. Dat zou met elkaar in tegenspraak zijn. En wie zich daarom in deze dingen op een universitaire graad laat voorstaan en op mensen die niet beïnvloed zijn wil neerzien, die geeft daarmee zelf blijk van zijn onvermogen en zijn beperktheid. Mensen die nadenken zullen onmiddellijk de eenzijdigheid aanvoelen en voorzichtigheid betrachten tegenover diegene die hen op deze wijze tot voorzichtigheid maant!
Alleen beroepenen kunnen ware leraren zijn. Beroepenen zijn zij, die de gave in zich dragen. Deze gaven vragen echter niet om een hoge opleiding, maar om de bewegelijkheid van een verfijnd aanvoelingsvermogen, dat zich boven ruimte en tijd, dus boven de begripsgrens van het aardse verstand kan verheffen.
Bovendien zal ieder innerlijk vrij mens een zaak of een leer altijd beoordelen naar wat hij brengt, niet naar wie hem brengt. Dit laatste is het meest duidelijke bewijs van armoede van degene die toetst. Goud is goud, of nu een vorst het in de hand houdt of een bedelaar.
Dit onomstotelijke feit tracht men echter juist bij de waardevolste dingen van de geestelijke mens hardnekkig over het hoofd te zien en te veranderen. Vanzelfsprekend met even weinig succes als bij het goud. Want zij die werkelijk ernstig zoeken, laten zich door dergelijke afleidingspogingen niet ervan afbrengen, de zaak zelf te toetsen. Diegenen echter die zich daardoor wel laten beïnvloeden, zijn nog niet rijp om de Waarheid te ontvangen, voor dezen is zij niet.
Maar het uur is niet veraf, waarop nu een strijd moet beginnen die tot dusver ontbrak. Aan de eenzijdigheid komt een einde, er volgt een scherpe confrontatie, die elke verkeerde aanmatiging uitroeit.